Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Zo wordt hij niet alleen benaderd om voor de meest mogelijke en onmogelijke gelegenheden verzen te schrijven, hij moet ook linten doorknippen, startschoten lossen, plaatsnemen in allerlei comités van aanbeveling en optreden als voorzitter van zeer uiteenlopende jury’s. Dat varieerde de afgelopen tijd van juryvoorzitter bij de finale van het VARA-programma Op weg naar het Lagerhuis, omdat ik opeens tot deskundige in de debattechniek was gebombardeerd, tot hoofd van de jury die in Groningen de beste inzending voor een nieuwe naam voor het nog te bouwen Huis van Geschiedenis en Informatie moest bekronen. We kozen uiteindelijk voor de naam “Het Groninger Forum”, een inzending die, zo bleek later, uit de koker van Ronald Ohlsen kwam, de nieuwe Groninger stadsdichter. En dus mocht de ene dichter een prijs uitreiken aan de andere dichter, hetgeen ik maar al te graag deed, want kinnesinne – zo schreef ik in mijn juryrapport – bestaat er bij dichters onderling in Nederland niet.

Ook stond ik in de maand mei zo af en toe weer oog in oog met de televisiecamera. Men weet mij kennelijk nog steeds te vinden, ook al schreef Remco Campert onlangs in zijn kolom in De Volkskrant dat de Dichter des Vaderlands al weken spoorloos is. Bij gelegenheid van het jubileumbezoek van koningin Beatrix aan Delfzijl mocht ik mij in Twee vandaag laten horen en zien met een paar versjes over de band tussen Oranje & Delfzijl (jawel, zelfs die bestaat) en voor NOVA werd ik in de gelegenheid gesteld mijn mening over de Europese grondwet in een sonnet onder woorden te brengen. Ik was tegen en zo is het gekomen dat op 1 juni jongstleden een royale meerderheid van het volk ook tegen heeft gestemd. Dat hoop je tenminste, maar eigenlijk tegen beter weten in. Een gedicht kan volgens mij mensen immers maar zelden op andere en betere gedachten brengen.

Maar al is de directe invloed van de poëzie op het menselijk bedrijf gering, toch kan een dichter op z’n tijd met een gelegenheidsvers wel het goede doel een dienst bewijzen. Dat merkte ik tenminste zonneklaar op 26 mei in muziekcentrum Vredenburg in Utrecht waar de dag van Het Gedicht plaatsvond, een manifestatie voor mensen met een verstandelijke handicap (of een verstandelijke uitdaging, zoals het eufemisme luidt). Voor een zaal vol verstandelijk gehandicapten mocht ik ter afsluiting van een bijzonder afwisselend en boeiend programma een gelegenheidsgedicht over de liefde voordragen, terwijl mij daarvoor al uit handen van Freek de Jonge het eerste exemplaar overhandigd was van de bundel Blijf nog even, een gedichtenbundel die een keus inhield uit alle inzendingen bij de gedichtenwedstrijd met als thema “met liefde”. En dat heb ik ook met liefde gedaan. De titel “Dichter des Vaderlands” is ook maar een titel, maar als je toevallig zo’n titel hebt, kun je soms een manifestatie toch een klein beetje meer gewicht en cachet geven.

De gedichten uit de nieuwe bundel van de verstandelijk gehandicapten waren trouwens voor het merendeel verrassend, geestig en ontroerend. Goed te vergelijken met gedichten van kinderen, die met nieuwe en nog onbedorven ogen naar de wereld kijken en dan hun ervaring zonder enige opsmuk en vaak soms pijnlijk direct onder woorden brengen. Niks rijm of maat of andere gekunsteldheid en geen woord te veel. Zo ging mij even een rilling over het lijf bij lezing van het volgende gedicht van ene José Kranenburg: 

Samen slapen in een bed
Ik en mijn moeder.
Samen pap eten
Brinta met suiker
Ik en mijn vader.

Met kerst was hij ziek op bed
Overleden
En toen mijn moeder
Met het hoofd tegen de kast
Verlamd
Overleden.

Ook was ik aanwezig bij de herdenking van 60 jaar bevrijding in Wageningen, waar ik enerzijds ter afsluiting van de plaatselijke poëziemarathon en anderzijds als startsein van een nachtelijke fakkelloop, waarin het bevrijdingsvuur naar alle provincies werd uitgedragen, precies om vierentwintig uur omringd door politieke hoogwaardigheidsbekleders een gelegenheidsgedicht voorlas. En ook daar besefte ik dat de poëzie plechtige gelegenheden extra status geeft. Dat is dus goed voor de gelegenheid én voor de poëzie. En wellicht versterkt het ook een beetje de liefde voor de Muze, die bij de meeste politici dikwijls onderontwikkeld is.

Het moet dan ook beschouwd worden als waarachtige ontwikkelingshulp als dichters de arena’s van politieke bijeenkomsten betreden. In mei kreeg ik twee keer de gelegenheid, eerst op 1 mei bij de traditionele 1 mei-viering van de PvdA, dit keer in Nijmegen, vervolgens op 27 mei in Groningen tijdens het VVD-congres. Beide gelegenheden greep ik natuurlijk met beide handen aan om een aantal satirische versjes die ik al eerder over de beide politieke richtingen geschreven had aan de gestaalde kaders voor te lezen. En ik trof, zoals dat tegenwoordig heet, een luisterend oor. Er werd geregeld onbekommerd gelachen. Vooral trouwens door onze liberalen, die het kennelijk nog leuker vinden om bespot te worden gehouden dan socialisten. Waarschijnlijk ook omdat ze denken: ach, het is maar poëzie. Waarbij ze mij aanzagen voor de Hofnar des Vaderlands. In goede aarde viel dan ook mijn voor de partijen geschreven openingsgedicht. Bij de PvdA begon ik mijn voordracht als volgt:

Geacht publiek, als ik u gadesla
Herken ik weer dat ouderwetse, vrije
Elan waar zoveel goeds door kan gedijen,
In het bijzonder voor de maxima.

Op dat moment constateerde ik natuurlijk schuldbewust dat ik het verkeerde gedicht, dat voor de VVD aan het voordragen was en ik begon opnieuw:

Geacht publiek, als ik u gadesla
Herken ik weer dat progressieve, blije Elan
waar zoveel goeds door kan gedijen,
In het bijzonder voor de minima.

Bij de VVD volgde ik natuurlijk de omgekeerde procedure. Beide malen met succes. Het zal duidelijk zijn dat het vervolg van de gedichten verder niet verschilde. Het ging als volgt:

De stemming hier is hiephiephiephoera
En dus sluit u als vrolijke lakeien
Vandaag in uw partijbelang de rijen
En loopt u trots uw voorman achterna.

Maar vraagt u waar ik politiek zelf sta
Dan antwoord ik: ver boven de partijen
En nog het verst boven het CDA,

Maar anderzijds zeg ik zonder te vleien:
Nu ik de sfeer bij u hier onderga
Is uw partij toch wel de meest nabije.

© Driek van Wissen