Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Zo is zijn bestaan inmiddels ook in studentenkringen doorgedrongen en daarom bereikten mij de laatste tijd een flink aantal verzoeken om door de Muze geïnspireerde voorwoorden voor studentenalmanakken te produceren over zeer uiteenlopende onderwerpen zoals daar waren jaloezie, de wonderen der techniek en arm & rijk. De verzoeken heb ik niet ingewilligd, meestal met de smoes dat mijn Muze zo goed als overspannen was en van de dokter absolute rust had voorgeschreven gekregen, maar eigenlijk omdat ik vind dat studenten hun eigen almanakken moeten vullen en alle ruimte moeten bieden aan talenten uit eigen kring. Als de almanakredacties in vroeger eeuwen eenzelfde beleid hadden gevoerd, waren bijvoorbeeld de gedichten van Piet Paaltjens voorgoed onder de korenmaat gebleven.

Niet alleen in studentenkringen, ook in kringen van de Rotary weet men de Dichter des Vaderlands te vinden. Dit kalenderjaar was ik reeds te gast bij een handvol afdelingen die mij hadden uitgenodigd het een en ander over de poëzie te vertellen en uit eigen werk voor te lezen. In Zuidhorn, Almelo, Groningen, Heerlen, Zwartsluis en noem maar op. En het was niet eens vervelend. Overal trof ik, zoals dat tegenwoordig heet, een luisterend oor bij deze besloten clubs uit de gegoede burgerij die een vreemde combinatie van gezelligheid, netwerken en liefdadigheid beoefenen. Geslaagde landgenoten, dat wel, maar de kennis van de hedendaagse dichtkunst is bij hen doorgaans tamelijk beperkt, dus ik had ze ook nog wel wat te vertellen. Dat trouwens in het bijzonder in Heerlen, daar moesten de brave Rotarians helemaal bijgepraat worden. Het bevestigde andermaal mijn vooroordeel dat Limburg wat betreft de Nederlandse literatuur nog steeds een ontwikkelingsgebied is. De boekhandels zijn er dun gezaaid en literaire voordrachten vinden er geloof ik nauwelijks plaats. Mij bereikt immers uit dit wingewest hoogst zelden een uitnodiging en ik weet van mijn schrijvende collega’s hetzelfde. Maar het kan zijn dat Wiel Kusters en Ton van Reen daar toch stiekem avond aan avond spreken voor eigen parochie.

Ook bij diverse jubilea werd de komst van de Dichter des Vaderlands zeer op prijs gesteld en royaal beloond. Zo liet ik zowel in proza als in poëzie van mij horen bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de winkeliersvereniging in Stadskanaal, het 55e jaarfeest van de Noord Nederlandse Golf- en Coutryclub, het 75-jarig jubileum van de Groningse Speeltuincentrale en het eeuwfeest van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten dat gevierd werd in Fochtelo. Hetgeen bewijst dat je als DdV de vinger aan de pols van de maatschappij moet houden en behoorlijk allround moet zijn of in ieder geval moet doen alsof. Zo is bijvoorbeeld de kennis van alle namen van de Nederlandse natuurmonumenten noodzakelijk wanneer je ervoor wilt pleiten om deze monumenten te behouden enkel en alleen al vanwege het feit dat ze zulke prachtige namen dragen. Anders kun je nooit een gelegenheidsgedicht maken als het volgende:

NATUURMONUMENTEN

De Tip, Vragenderveld, Skrok, Kwade Hoek,
Het Hengstdal, Vrouwenbos, Ter Worm, ’t Hout,
De Bijvanck, Fort Kijkuit, het Deelerwoud,
Het Galgenven, De Schorren, Hoge Broek,

Quakgors, De Zevenbergen, Grote Maat,
Steilhul, Het Zwanewater, Berghofweide,
De Duivelshof, Scheelhoek, de Mookerheide,
Het Dommeldal, Baardwijkse Overlaat,

Skrins, Spiegelrust, Voorstonden, Tien Gemeten,
Kampina, Planken Wambuis, Griend, De Wieden,
Het Fochteloërveen, Botshol, De Reten

Ik noem hier maar een paar natuurgebieden
Die u beschermen moet, geachte lieden
En dat vooral omdat ze zo mooi heten.

De natuur en het milieu waren voor mij sowieso de hoofdthema’s van de maand juni. Zo was ik op 20 juni nabij Rhoon nabij Rotterdam om daar met een gelegenheidsvers de herinrichting van het natuurgebied “Klein Profijt” (ook al zo’n mooie naam) te bekrachtigen. Het vers was ter plaatse vereeuwigd op een plaquette die op een opvallende plaats in het natuurgebied was neergepoot. In mijn voordracht voor de Vereniging Natuurmonumenten heb ik daar later trouwens nog milde kritiek op geleverd. Ik schetste toen de dreiging van natuurgebieden waar je binnen de kortste keren struikelt over allerlei plaquettes, gedenkstenen en manshoge borden vol proza of poëzie, dit tot schade van het gebied zelf.
Omdat ik toch in de buurt was, was ik op 20 juni in Rotterdam ook present bij de officiële start van een project waarbij de basisscholen voorgelicht worden over de voordelen van zonne-energie. Ik schreef een speciale 'Zonneballade'. En een ander gelegenheidsvers droeg ik voor bij de voltooiing van de opknapbeurt van de oude Zeesluis te Muiden. Voor de verandering weer eens een sonnet, dat eindigde met de regels:

De sluis leidt niet alleen naar open water,
Maar geeft ook het verleden door aan later.

Men vond het een mooi gedicht, zei men. Maar dat zegt men eigenlijk altijd tegen dichters. Of omdat men het gedicht begrijpt of omdat men het gedicht juist niet begrijpt. Maar soms krijg je het als dichter toch zwaar te verduren. Dat gebeurt wanneer er mensen gekwetst worden, iets wat je vaak helemaal niet verwacht. Zo schreef ik bij het begin van de Tour de France, toen Lance Armstrong onmiddellijk de macht gegrepen had, uit lichte ergernis het volgende versje in het Dagblad van het Noorden:

WIELERGEBED

O Heer, bezorg Lance Armstrong zadelpijn,

Laat hem door een kolonie wespen steken,
Een steenpuist krijgen of zijn spaakbeen breken
Of duw hem anders maar in een ravijn,

Zo’n straf lijkt mij voor deze man het beste
Die ook dit jaar de Tour weer komt verpesten.

In de ogen van sommige mensen althans had ik dit beter niet kunnen doen. Al spoedig verschenen er ingezonden stukken waarin ik beticht werd van het aanzetten tot sporthaat en van godslastering omdat ik mijn kwade wensen de vorm van een gebed had gegeven. Tja, je hebt lezers met heel lange tenen en zonder benul van ironie. Of zou mijn Muze toch lichtelijk overspannen zijn en ben ik zelf hoognodig aan vakantie toe?

© Driek van Wissen