Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Zo gaat om de haverklap de telefoon en jawel, dan is Hilversum weer aan de lijn. Want als je eenmaal in het adresboekje van allerlei redacteuren van onze omroepen bent beland, heb je geen verborgen leven meer. Dan wordt opeens in de gekste programma's je mening gevraagd over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ik doe maar een greep uit de vragen die mij de laatste tijd gesteld zijn: of het geen schande is dat het Engels nu ook al tot op onze verkeersborden is doorgedrongen, of met de allernieuwste spelling de verloedering van onze taal nog verder is voortgeschreden, of de taal van de troonrede nu echt zoveel toegankelijker is geworden en of ik als Groninger er wakker van lig dat een deel van Schiermonnikoog, dat door zelfverplaatsing Gronings grondgebied was geworden, weer teruggekocht is door de vermaledijde buurprovincie Friesland? En elke keer moet je dan weer je oordeel klaar hebben en dat valt niet mee, want het is vaak wel zo plezierig om ergens geen mening over te hebben.

Maar ja, je bent nou eenmaal Dichter des Vaderlands of je bent het niet. En dat wil je ook best laten blijken. Bijvoorbeeld met een gedicht in het NRC-Handelsblad. Als er in Nederland tenminste weer eens iets gebeurt van op z’n minst nationaal belang. Maar het is hier al maanden lang een dooie boel. Terwijl elders de orkanen tekeergaan en de aarde beeft, moeten wij het hier in ons kikkerlandje stellen met wat politiek gekissebis en kleine schandaaltjes. Daar kun je als poëet je Muze niet mee lastig vallen.

Gelukkig kom je op die manier wel lekker toe aan het doen van andere dingen. Aan het persklaar maken van mijn eerste bundel kindergedichten (Dokter Dik), die zoals het hoort inmiddels in de kinderboekenweek verschenen is, en van een verpleegstersroman op rijm (Zuster Mieke), een coproductie samen met Frank van Pamelen, Kees Torn en Ivo de Wijs, die binnenkort ook het licht zal zien. Maar verreweg de meeste tijd heb ik natuurlijk gestoken in het schrijven van De rijmkroniek des Vaderlands, een project van lange adem dat ik heb opgezet samen met mijn goede dichtervriend Jean Pierre Rawie. We hebben net twee week geleden deel I voltooid, want het boek moet half november in de winkel liggen in verband met Sinterklaas en de kerst. De schoorsteen van de uitgever (Prometheus/Bert Bakker) moet immers ook roken.

Veel mensen zijn verbaasd wanneer je vertelt dat je met z’n tweeën zo'n boek aan het schrijven bent. Het scheppen van een gedicht is naar hun idee een bezigheid die je per definitie alleen doet, het is per slot van rekening de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Daar kun je niet met z'n beiden als een soort navolgers van Betje Wolff en Aagje Deken mee aan de slag. En eigenlijk hebben ze gelijk, tenminste waar het zuiver persoonlijke lyriek betreft. Maar een lang episch gedicht met een wat luchtige inhoud kun je heel goed samen schrijven, zeker als je op dezelfde lijn zit wat betreft verstechniek, taalvaardigheid en gevoel voor relativiteit en gekkigheid. En hoezeer ons beider eigen werk ook verschilt (bij Rawie is er meer emotie en ernst, bij mij overheerst vaker de ratio en de lichtvoetigheid), het was voor ons geen bezwaar: vele middagen kwamen wij bijeen en werkten dan regel voor regel nijver voort aan onze Rijmkroniek. En die regels kwamen pas op papier als wij er beiden volledig tevreden over waren. En nu deel I voltooid is en wij de tekst nog eens doorlezen, weten wij zelf amper meer wie wat heeft ingebracht.

Als ik telefoon krijg, is het trouwens ook wel eens een enkele keer iemand anders dan een redacteur van een radio- of tv-programma, die mij mijn mening over het eerste het beste wissewasje wil ontfutselen. Dan is het een organisator van een of andere manifestatie die mij verzoekt om te zijner tijd op amusante wijze mijn mening te geven over het thema van de betreffende manifestatie. En ook dat valt niet mee, maar met speelse taalkundige noodgrepen weet ik me doorgaans wel te redden. Het ondernemerschap in Noord-Nederland, Top-grading bij de accountants van Deloitte, het terugdringen van het aantal verkeersslachtoffers door 3VO, het bedrijfsplan van de woningcorporatie Wonen Noord-West Friesland en de werking van het geneesmiddel Ascal Brisper, overal heb ik mijn zegje reeds over gedaan en onder andere de nieuwe zorgverzekering, de Raad voor het landelijk gebied en het afval in Nederland staan nog in de wacht.

En tussendoor heb ik op verzoek nog een flinke handvol gelegenheidsgedichten geschreven: over mijn favoriete NPS-programma ('Andere tijden'), de windmolens in het landschap van Noord-Holland, een nieuwe woonwijk in Assen ('De Dichtershof') en een nieuw bejaardentehuis in Arnhem en nog wel meer. Het meest opmerkelijke verzoek kwam trouwens van het bedrijf  Hyva uit Alphen aan de Rijn, dat laad- en lossystemen voor vrachtwagens vervaardigt en verhandelt. Voor dat bedrijf schreef ik in opdracht maar liefst 4 gedichten over hun 4 verschillende systemen, die uiteindelijk op grote doeken in hun stand op de Vrachtwagen-RAI zijn opgehangen. Ik heb het maar speels aangepakt. Laat ik een voorbeeld geven. Het betreft geloof ik systeem 4, de portaal- en haakarmen. De kennis ontbreekt mij om uit te leggen wat dat zijn, portaal- en haakarmen, maar ik schreef er wel de volgende dichtregels over:

Misschien gelooft u niet wat ik beschrijf,
Maar de boeddhisten kunt u wel geloven.
Die zeggen dat er goden zijn hierboven
Met meer dan slechts twee armen aan hun lijf.

Aan armen hebben die dus geen gebrek,
Maar of ze, als ze dat al zouden willen,
Daarmee ook een container kunnen tillen,
Is iets wat ik beslist in twijfel trek.

Want sterker dan van Vishnu of van Shiva
Zijn de portaal- en haakarmen van Hyva.

Het is een toepasselijk gedicht voor de gelegenheid, maar ik vrees dat het gedicht de eeuwigheid niet zal halen. Ik zal het waarschijnlijk niet eens in een volgende bundel opnemen. Maar een enkele keer overkomt het me toch dat ik voor een speciale gebeurtenis een gedicht schrijf, dat ook buiten de gebeurtenis om naar mijn idee goed leesbaar blijft. Dat vind ik onder andere het geval bij het gedicht dat ik schreef voor de grote Oester- en Champagnepartij op 8 september in Middelburg. Ik moest het daar zelf komen voordragen: 5 uur heen in de trein, 1 minuut voorlezen en 5 uur terug in de trein. Maar ja, dat had ik er graag voor over. Het gedicht luidt als volgt:

Oesterfeest

De oester komt ter wereld met de plicht
Zijn korte leven enkel maar te leiden
Om mensen een genoegen te bereiden
Zodra hij goed op smaak is en gewicht.

Eerst ligt hij onder water uit het zicht,
Omsloten door zijn schelp aan alle zijden
En houdt tot de voleinding van de tijden
Dit stoffelijk omhulsel stevig dicht,

Maar later op een passend tijdsgewricht
Wordt hij toch van zijn oesterbed gelicht
En zal men hem ten slotte opensnijden
Wanneer een oesterfeest wordt aangericht
En eenmaal van zijn stenen huid gescheiden
Laat hij zich willoos in een keelgat glijden.

© Driek van Wissen