Sinterklaas- en Politiedichter?

Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Zo bereikte mij in november weer het verzoek om deel uit te maken van de dichtersploeg die elk jaar vlak voor pakjesavond hand- en spandiensten verleent om voor poëtisch hulpbehoevende luisteraars een sinterklaasgedicht te maken bij hun cadeau of surprise. Dit onder de titel Radio 2 Rijmservice. Van 7 uur ’s ochtends tot 6 uur ’s avonds zijn wij dan bij toerbeurt een paar uur dichterlijk in touw in de radiostudio in Hilversum.

Uit de vele verzoeken die bij de aardige dames van het telefoonteam binnenkomen, kiezen wij de meest orginele en ontroerende aanvragen en schrijven zo'n drie à vier versjes per uur. Het is gelukkig geen Willy-Alfredo-tempo, maar enige snelheid is wel geboden. En het zijn niet de minsten die op zo’n dag traditiegetrouw mijn dichtbroeders zijn: Ivo de Wijs, Frank van Pamelen, Jan J. Pieterse en noem maar op. En wij schamen ons er niet voor om sinterklaasdichter te zijn.

Sinterklaasdichter was trouwens een van de kwalificaties die mij een klein jaar geleden rond mijn verkiezing tot Dichter des Vaderlands te beurt zijn gevallen. En die kwalificatie was geloof ik niet positief bedoeld. Er sprak een onverholen afkeer uit tegen allerlei dichters die in plaats van, zoals het volgens de criticasters hoort, maar één dag per jaar (met Sinterklaas dus) te rijmen, zichzelf hun hele dichterleven lang koesteren in de traditie van de vormvaste poëzie. En de afkeer gold mijn poëzie in het bijzonder. Maar zelf heb ik de term nooit als een belediging beschouwd.

Natuurlijk is het zo dat de meeste Nederlanders bij hun sinterklaascadeaus gedichten fabriceren waar van alles aan mis is: het rijm is armzalig, de regels zijn erg verschillend van lengte en dan meestal veel te lang, de taal is krom en de inhoud is cliché. En daar is eigenlijk niks mis mee dat er van alles mis is: niet het eindresultaat telt, maar de goede bedoeling en een gedicht dat naar objectieve maatstaven beneden de maat is, veroorzaakt bij voorlezing in huiselijke kring vaak meer vrolijkheid dan een vlotjes lopend rijmpje. Maar wie dichterlijk wat meer in huis heeft, vermijdt ook bij dit type gelegenheidsgedichten bovengenoemde valkuilen en weet in beperkte tijd toch een vakkundig poëtisch product met een aansprekende inhoud af te leveren. Het is een eis die ik mij althans, ook onder tijdsdruk en in de rumoerige omgeving van zo'n radiostudio, blijf stellen. Doorgaans kies ik dan wel voor het eenvoudige, bijna verplichte rijmschema van het enkelvoudige gepaarde rijm, maar een enkele keer rolt er toch opeens een sonnetje uit mijn pen. Zoals het gedicht bij een wekkerradio, een cadeau van een moeder aan haar aartsluie zoon die maar niet zijn nest uit wilde komen:

Sint hoorde hoe je moeder morde,
Want nimmer ben je nog spontaan
Bij 't ochtendkrieken opgestaan
En evenmin als zij je porde.

Al kraaide driemaal zelfs de haan,
Dan nog wou jij niet wakker worden.
Dus roept de Sint je tot de orde;
Hier dient voortaan wat aan gedaan.

Dus ook al slaap je nog zo lekker,
Sta op zodra de wekker gaat,
Want moeder is ten einde raad
En baalt inmiddels als de stekker
Die aan het eind zit van de draad
Van deze elektrieke wekker.

Goed, het is natuurlijk geen gedicht dat de eeuwen zal overleven, maar het kan er naar mijn (on)bescheiden mening best mee door. Nee, ze mogen mij best sinterklaasdichter noemen, ik zie het eerder als een geuzennaam. En het schrijven van ook dit soort gelegenheidsgedichten verschaft mij in elk geval veel plezier.

Maar er zijn natuurlijk ook schaduwkanten aan mijn functie. Met de regelmaat van de klok krijg ik immers stapels gedichten toegezonden van collega's in de dop die kennelijk van mij het allesbeslissende oordeel verwachten en wellicht ook nog hopen dat ik voor hen de deuren naar diverse uitgeverijen ontsluit. Het is het lot van alle dichters die het geluk hebben gehad een of meer bundels te hebben mogen publiceren, maar de eretitel Dichter des Vaderlands werkt kennelijk als een magneet.

Zelfs uit Nieuw-Zeeland ontving ik laatst op cd een royale bloemlezing uit eigen werk van een Nederlander die al zo'n vijftig jaar geleden daarheen geëmigreerd was. Eerlijk gezegd is het niveau van deze gedichten over het algemeen niet geweldig hoog en de meeste inzendingen vertonen veel van de fouten die ik zojuist bij de sinterklaasgedichten heb opgesomd. Het valt dan ook niet mee om aardig te reageren. Maar meestal kies ik voor de tactische uitweg: ik bewonder de inzet en de liefde voor de poëzie in het algemeen, ik wijs een of een paar verzen aan die nog het minst slecht zijn en die prijs ik dan, ik lever zo hier en daar ook wat kritiek en ik raad de dichter(es) aan eerst maar eens een of meer gedichten op te sturen naar een blaadje of een tijdschrift. Want redacteuren, zo beweer ik dan, zijn veel beter in staat om gedichten te beoordelen dan mogelijke concurrenten. Ja, je moet toch wat en een volledige ontmoediging deugt ook niet. Het schrijven van gedichten is op z’n minst de mooiste hobby die er is en zoiets moet je sowieso stimuleren.

Maar er zijn uitzonderingen. Zo werd mij een paar maanden geleden een beoordeling gevraagd over de gedichten van een Groningse politieman, Jan Hoiting. Op zichzelf al een opmerkelijke combinatie, politie en poëzie, dat verwacht je niet, maar de meestal korte versjes, halve aforismen vaak, konden alleszins door de beugel. Het kon minder, dat Groningse compliment kon ik zonder vleierij geven. Ik heb nog enige opbouwende adviezen gegeven en een voorwoord geschreven en inmiddels is er in eigen beheer van de Regiopolitie Groningen een heuse bundel (Mijn koppel is mijn maat) van gemaakt, die op menig politiebureau wordt stukgelezen. Want de gedichten gaan zonder uitzondering over het politievak, bijvoorbeeld:

Ik heb lange vingers,
dacht de dief
en stal uit de vitrinekast.

Ik ben de sterke arm,
zei toen de diender
en greep hem stevig vast.

En zo heeft het afgelopen jaar het land niet alleen een nieuwe Dichter des Vaderlands gekregen, maar ook een eerste Politiedichter des Vaderlands. Het gaat goed met de poëzie.

© Driek van Wissen