Intelligente plannen

Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Vooral in het begin van het nieuwe kalenderjaar worden allerlei activiteiten ontplooid waarbinnen ook een plaats wordt ingeruimd voor de poëzie. Zo waren er ook dit keer weer diverse nieuwjaarsbijeenkomsten, onder andere van het personeel van de ING-bank en de NEVI (Nederlandse Vereniging Van Inkopers), die ik mocht opluisteren met de voordracht van gedichten. Ik doe dat graag. Al vijf jaar lang laat ik namelijk aan het eind van een jaar in eigen beheer een dichtbundeltje het licht zien met zesregelige versjes (sonnettettes) over de actualiteit van dat jaar, versjes die voor het merendeel verschenen zijn in het Dagblad van het Noorden en op de internetpagina www.nederlands.nl.

Ditmaal was het dus de beurt aan de bundel Het jaar 5. Ik stuur de boekjes ieder jaar als persoonlijk nieuwjaarsgeschenk rond aan vrienden, bekenden en relaties. Maar het mes snijdt van meer kanten: het is ook heel toepasselijk om op zo’n nieuwjaarsbijeenkomst aan de hand van de bundel het voorbije jaar nog een keer poëtisch de revue te laten passeren. Het zijn over het algemeen geen gedichten voor de eeuwigheid, maar ze doen het doorgaans goed. Vooral, uiteraard, de toppers. Bijvoorbeeld de sonnettette die ik vorig jaar schreef over onze minister van Onderwijs, Maria van der Hoeven, die het debat over het ontstaan der wereld nog eens dunnetjes wilde overdoen omdat ze wel wat zag in het zogeheten 'intelligent design'. Vandaar het gedicht:

Intelligent plan?
Als alles is geschapen volgens plan
Zoals u denkt, Maria van der Hoeven,
Staat Darwins theorie op losse schroeven
Wat ik natuurlijk niet geloven kan

Want stel dat al wat is echt is gepland
Hoe kan het dan dat u minister bent?

Maar er waren ook andere bezigheden waarbij mijn aanwezigheid gewenst was. Dat varieerde van het officieel in ontvangst nemen van een kopperprent op Koppermaandag en de opening van een reizende tentoonstelling over (de bestrijding van) het analfabetisme tot de prijsuitreiking bij het wereldkampioenschap snert koken. En natuurlijk was het in januari extra druk rond de Nationale Gedichtendag. Allerlei boekhandels en Openbare Bibliotheken (wat mij betreft dit keer onder andere in Tiel, Oosterhout, Veldhoven en Westerbork) besteden vanwege die gelegenheid door middel van signeersessies en voordrachtsmiddagen en -avonden extra aandacht aan de Muze van de poëzie en haar volgelingen. En elk evenement trekt in ruime getale geïnteresseerde toehoorders. Hetgeen op zichzelf al voldoende rechtvaardiging is voor de instelling van de Gedichtendag.

En daarnaast waren er ook weer diverse gelegenheden waarvoor een speciaal gelegenheidsgedicht geschreven moest worden. Bijvoorbeeld het begin van het Rembrandtjaar. Daarvoor was een twintigtal dichters gevraagd een gedicht te maken bij een van de schilderijen van Rembrandt die in het Rijksmuseum in Amsterdam hangen. Ik had mijn keuze laten vallen op het schilderij 'Twee Pauwen', waarbij ik in een sonnet der teloorgang van de hoogmoed heb bezongen. De gedichten zijn gebundeld in het fraaie boek Lyrisch van Rembrandt.

Minstens even inspirerend was trouwens het verzoek van de NS aan mij en negen collega’s om voor aanvang van de Olympische Winterspelen in Turijn een wintersportheld uit te zoeken en die in een poëem te bezingen. De gedichten zijn vervolgens op posters in de belangrijke stations opgehangen en gepubliceerd in het zogeheten Olympisch spoorboekje dat in een oplage van naar ik meen zo’n 300.000 stuks verspreid is. Een oplage waar zelfs Toon Hermans en Nel Benschop alleen maar van hadden kunnen dromen. Na enige tobberij had ik mijn keus laten vallen op Eddy Edwards, beter bekend als Eddy the Eagle, de Britse schansspringer die tijdens de Olympische Spelen in Calgary (1988) uitgroeide tot een absolute cultheld. Absoluut geen winnaarstype, maar juist door zijn beperktheid en onbeholpenheid gaf hij extra aanleiding tot identificatie. Zo kwam ik tot het volgende vers:

Eddy the Eagle
Ze kwamen allen sierlijk aangegleden
En deden in de lucht languit hun best
Het verste weg te vliegen van het nest
Waarbij ze voor elkaar niet onderdeden.

Maar één van hen was anders dan de rest:
Onzeker van zijn eigen lijf en leden
Zag hij de witte piste daar beneden
En aarzelde angstvallig en gestresst

Totdat ook dit onooglijk arendsjong
Met dikke bolle glazen voor de ogen
Zich houterig voorover heeft gebogen
En na een blinde onbeholpen sprong
In korte fladdervlucht kwam aangevlogen
En zo alweer zijn hoogtevrees bedwong.

Alle tien gedichten werden op de ochtend van de Gedichtendag (26 januari) in het Centraal Station in Utrecht gepresenteerd. Het was een gezellige plechtigheid en voor mij persoonlijk extra verrassend. De NS had namelijk Eddy the Eagle opgespoord en speciaal voor de gebeurtenis uit Engeland laten overvliegen. En zo mocht ik onverwacht persoonlijk kennismaken met de persoon die ik met een zekere willekeur en half en half toevallig tot mijn sportheld had uitgeroepen. Wel, Eddy bleek een aardige man, die mij bekende inderdaad te lijden aan lichte hoogtevrees. En aan het gedicht (dat voor hem op bekwame wijze vertaald was door John Irons) bleek hij zich allerminst te storen. Hij mocht dan wellicht een beetje last hebben of gehad hebben van hoogtevrees, in elk geval niet van lange tenen.

Dat is wel eens anders. Een andere gelegenheid waarbij ik blijk mocht geven van mijn dichterlijke kunnen was namelijk de plechtige ingebruikneming van de eerste oranje brievenbus. De goeie ouwe rooie brievenbus is kennelijk uit de tijd en wordt de komende jaren vervangen door een oranje broertje. Het kost natuurlijk een hoop geld, maar wat moet dat moet. De plechtigheid heeft op 6 februari plaatsgehad in Den Helder bij de Marine Academie. Door een aantal hoogst serieuze adelborsten werd daar de eerste brievenbus aangedragen als betrof het een lijkkist van een hooggeplaatst persoon en na bevestiging op de standaard wierpen drie Jantjes een (waarschijnlijk blanco) brief aan hun collega’s overzee in de kersverse gleuf. Toen mocht ik als Dichter des Vaderlands een gelegenheidsgedicht voorlezen. Geen absoluut meesterwerk, maar iedereen was tevreden. Maar één gedicht is in een wip voorgelezen en daarom had ik de ruimte gekregen om nog een toepasselijke dichterlijke toegift te geven. Dat had ik beter niet kunnen doen.

Ik vertelde bij wijze van onschuldige grap dat ik door middel van een gevonden memorystick de inhoud van de drie brieven van de Jantjes te weten was gekomen en dat ik de inhoud op rijm had gesteld. Reeds bij voorlezing van de eerste brief (aan een marinier in de Verenigde Emiraten) ging het mis: bij de verwijzing naar de Deense spotprenten met de afbeelding van Mohammed verbleekten tal van officiële personen zoals de directeur van de TPG, de directeur van de Marine Academie en ook de waarnemend burgemeester. Ik vond mijn tekst best toepasselijk, maar ik had het opeens op luchtige wijze over politiek en daar wilde men zijn vingers absoluut niet aan branden. Men was 'not amused'. Maar oordeelt u zelf, de eerste brief luidde als volgt:

Geachte vriend ginds in de Emiraten,

Ik stuur jou in dat verre warme land
Een twaalftal uiterst humorvolle platen
Die ik geknipt heb uit een Deens krant.
Bekijk ze maar, maar doe het wel discreet,
Want Islamieten hebben lange tenen,
Vooral wanneer het gaat om hun profeet.
Vraag dat maar na bij al die arme Denen.
Maar ook stuur ik je hierbij een gedicht
Dat zich goddank een heel stuk positiever
Op de Islam en zijn gebruiken richt.
Dat hebben al die emirs daar vast liever,
Dit versje dat hen vast bekoren kan.
De titel luidt eenvoudig 'Ramadan':

Ramadan

De Ramadan is eigenlijk een zegen,
Want als je meedoet met die vastentijd
Raak je vanzelf een aantal pondjes kwijt
Hetgeen in Nederland zwaar dient te wegen.

Zo blijkt dat de Islam ook voor ons allen
Een mooi geloof is om van af te vallen.

Lees dit gedicht maar in den vreemde voor,
Dan vind je daar vast enthousiast gehoor,
Al is men nog zo'n opgewonden standje.
Een warme groet vanuit Den Helder,
                                                                    Jantje

© Driek van Wissen