1: "Liefde is een platitude en daarom ook zo mooi"
De debuutbundel van Joost Zwagerman Langs de doofpot bestaat uit zes afdelingen, waarvan de eerste, 'De stilte ontluisterd', al eerder verscheen als zelfstandige - bibliofiele - uitgave bij de vrijetijdsdrukker Hein Elferink. Al in deze debuutbundel Langs de doofpot komen regelmatig verwijzingen voor naar andere schrijvers en denkers, wat ook een kenmerk voor ook het latere dichtwerk van Zwagerman is. Het titelloze gedicht op pagina 2 verwijst naar de titel van de bundel.
Nee, onteigenaars en inkeerkomers,
te volharden en te zwijgen ben ik niet.
Mijn roerloosheid is niet absoluut.
Niet houd ik mij in afwezigheid op,
noch sla ik mij wederkerend voor de kop.
Nog te veel is er dat zich langs de doofpot snaait.
(p. 2)
'Geweest, gedaan' is een parodie op het snelle leven, waarin alles steeds beter moet, zelfs zo dat men af en toe de hakken in het zand wil zetten.
Lachen blijven! - vooruitgang is de enige vereiste,
dacht ik toen ik was gevlogen. Jawel, ik ging vooruit,
voorbij.
- Okee, in feite dacht ik dat ik dacht weer louter lineair,
een vliegensvlugge loodlijn naar omlaag, omhoog,
omlaag opnieuw - een speer van furieuze spreeuwen
Tot aan mijn tenen, dacht ik. En maar hakken.
(p. 29)
'De argeloze hangmat' schetst het beeld van een vrouw die opstaat, maar dat eigenlijk liever niet wil: slapen met open ogen wil ze. Typisch een vrouw over wie de dichter denkt: 'Juist voor haar moet een gedicht geschreven'.
Slapen als een opgeborgen ei is wat ze wil,
ze wil flinterdunne dromen vlak boven haar ogen.
Houdt ze ze open dan is er overzicht en orde,
dan ruikt ze de logge opstaanlucht die
hoekig en bedaard de slaapkamerstilte omlijnt.
Dan is ze waar ze wezen kan.
Geen ooglid naar beneden dus. Duisternis, dat is
een vormeloze koelcel met ingevroren stemmetjes.
Het maakt haar huid één grote, opgezwollen winterteen,
geprik, gestotter, een tinteling
vol kamerzwart geroezemoes.
(p. 30)
Onder de titel 'Bestemming' gaat onder andere over 'geflikflooi over tijdsverloop', over de zin en onzin van reizen en zich verplaatsen van a naar b en andersom: de ik-figuur heeft genoeg aan stilstaan en beschouwing, terwijl iedereen voorbij flitst naar kennelijk duidelijke doelen.
Reizen is gestolde diepgang - ik
weet wel, mijn gelijk ligt op de rails.
Men stapt maar in en uit het treinstel,
terwijl ik mij met voorbijgaan troost.
(p. 38)
Maar teveel beschouwing is ook niet de bedoeling. In het gedicht 'Thuiskomst' verwijst Zwagerman naar het 'Behouden huis' waarin Willem Barentsz met zijn bemanning de winter van 1596 op Nova Zembla wist te overleven nadat hij met zijn schip in het pakijs bekneld geraakt was. Het almaar binnen blijven benauwt de ik-figuur, maar het lukt hem niet om het in de Nederlandse literatuur spreekwoordelijke straatrumoer zijn ivoren-torenleven binnen te smokkelen:
Ik loop nog steeds niet rond in huis.
Het lijkt wel of ik beklim. Hoe lang ben ik
voorbijgegaan, hoe krijg ik de verplaatsing
mee naar binnen - en is de reis behouden?
(p. 44)
De tweede dichtbundel van Zwagerman, De ziekte van jij (1988), bestaat uit vijfendertig titelloze gedichten,
grotendeels gewijd aan de liefde. Volgens de dichter is dit thema echter slechts een raamvertelling; belangrijker is dat hij voor ieder gedicht een andere stijl heeft gekozen, stijlen die hij van andere auteurs heeft geleend. Daarbij neemt hij vaak letterlijk teksten over van Herman Gorter, Hugo Claus, P.C. Hooft en anderen,
maar ook songteksten van moderne liedjes worden geplunderd. Elk gedicht begint met drie gedachtenpuntjes - wellicht een subtiele verwijzing naar deze citaatwoede. Maar in de eerste plaats zorgen die puntjes ervoor dat de lezer met de deur in huis valt en dat de suggestie van intimiteit wordt opgeroepen: de lezer wordt getuige van iets dat duidelijk al begonnen is voordat hij of zij er bij kwam. In het eerste gedicht wordt met belangstelling over en weer gegluurd, en de lezer wordt direct aangesproken:
... zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings -
dat ik je net zo lang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.
(p. 5)
Zelfs de beursberichten kunnen sensueel zijn en leiden tot erotische gesprekken:
-zocht allengs naar als jij en ik eens-
Ah! Elkanders wiebeltaks, dát waren we!
Naargelang wij langer luchtigheden wisselden
als van beursberichten, ontrolde zich
in onze niemendallen heel het paringsidioom.
(p. 8)
Zoals vaak, is ook in deze bundel, de liefde geen lang leven beschoren en is de waarheid minder prettig om te horen. In het zesde gedicht van de bundel wordt het voorspeld: de geliefde zegt dat deze relatie niet lang kan duren. De spanning tussen liefde en seks wordt dan voelbaar voor de 'ik'-persoon, want de voorspelling verdwijnt niet meer uit zijn gedachten:
Bleef jouw voorspelling dat dit niet lang duren zou.
Ik wist met je te neuken tot aan het onwaarschijnlijke
maar kon je niet verleiden tot het tot eeuwigheid
herleiden van mijn lief mijn lief ik hou van jou.
(p. 10)
Het zestiende gedicht schetst het tafereel van een verkleedpartij met erotische motieven, compleet met voyeur tussen de schuifdeuren:
mijn neus tussen de schuifdeur ik de open deur zo welbespraakt
op alle planken vastgehaakt, aangeraakt en tenslotte klaargemaakt
door jou en jou en jou en nimmer opgeteld want niet te tellen
met zoveel je bent de tovertruc zo talrijk je bent de helleveeg
de duivelskunstenaar in goeden doen je bent geheel alleen met velen
want je naam is minnaressenlegioen.
(p. 20)
[De zetfout 'minaressenlegioen' is hierboven verbeterd.]
Het achttiende gedicht in de bundel leest als een middeleeuws mystiek gedicht. Ook de taal sluit aan bij dit genre, waarin de eenwording met het goddelijke wordt nagestreefd: in dit geval met de bemiddelares: een heilige, of Maria, of....?
Vlucht mij niet,
Wees mij inderdaad genadig.
Van bovenaf bezien ben ik zo nietig
maar ik richt mij naar je op.
Kom naderbij. Kom, nader mij.
Voer mij ten hemel in galop.
(p. 22)
Inhet 23ste gedicht noemt de ik-figuur zijn poëzie 'suikerspinnenpoëzie'. Hij droomt dat zijn geliefde komt dansen: de tango.
Ied're nacht zo duizelbaar gedroomd van jou
de mooiheidsmuze tegen wil en dank, zodat zelfs
in mijn slaap jij bent om mee te dansen om je
deze dans te vragen om te vragen om je liefjeshand
mijn liefje want je bent zo tranentrekkend tango
En je bent mijn allerdanerigste bijdehand je bent
mijn hoefijzer mijn amulet mijn goed verstopte wisseltand
je bent mijn oogjes dicht en mondje toe mij moe te dromen
om tevergeefs en slapend van je wegzijn af te komen
door je droomsgewijs te smoren in de verrukkelijke
willekeur van het nachtelijke niemandsland.
(p. 27)
Na al die extase en dromerigheid komt de dichter aan het einde van de bundel ter zake:
Liefde is een platitude en daarom ook zo mooi.
Maar via de omweg van de platitude komt de dichter bij de dood en via de dood bij de titel van de bundel - het geheel leest als een prozaïsche brief:
Wat meer dan liefde is en minder dan de dood
is de warme dood waar ik niet bang voor ben,
dat is het doodgaan door te leven met een vrouw.
Dat ik mocht niet-bestaan dat kwam door jou.
In mij is die dood verdreven door de onmogelijkheid
opnieuw met jou te leven. Hoogstens ben ik ziek
en schrijf ik om de ziekte naam te geven. Hoe
hopeloos dit is, het brengt je niet terug naar mij.
Wat blijft is de ziekte, de ziekte die heet jij.
(p. 39)
- Lees verder over Joost Zwagerman: 2: "Een Chinees vuurwerk van de zinnen"
- Terug naar Introductie