2: "Een Chinees vuurwerk van de zinnen"
De derde bundel van Zwagerman kreeg de titel Bekentenissen van de pseudomaan (2001). Op het achteromslag van de bundel wordt de titel toegelicht. Volgens Van Dale's woordenboek is een pseudoloog iemand 'met een onweerstaanbare neiging om gefantaseerde belevenissen als waar te vertellen'. Deze dichtbundel is gewijd aan zijn (nog niet in van Dale opgenomen) 'nog enthousiastere familielid' de pseudomaan, voor wie de waarheid 'een verre en vage luchtspiegeling' is. De bundel bevat zes gedichten die eerder - in een iets andere vorm - verschenen in Plug-ins. Deze door Rob Scholte geïllustreerde bundel verscheen ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Fries Museum in Leeuwarden (februari-april 2000).
Een belangrijk thema in deze bundel is de trits kennismaking-liefde-breuk met alle emoties die daarbij komen kijken. Het gedicht 'Augustus, vrijdagmiddag' geeft een sfeerbeeld van de loomheid op een laat-zomerse middag in de stad. Een man, met zijn vrienden op het terras, probeert een vrouw te versieren...
Er is nu zoveel aangelengde zomer
op de caféterrassen in de stad
dat ook het zwerfvuil meedoet
aan de sfeer van museale films.
Zoals zelfs de zon zich nestelt zodra jij haar vangt.
Dat ene shot: niemand beweegt, jij
lucht blauw als reclame voor comfort,
opgewreven auto's parkeren baltsend in,
mannenlach, honden zelfverlengend aangelijnd,
driemaal een vaasje en
voor die stoot daar éen met ijs,
oké?
(p. 15)
Na een passievol begin van een nieuwe relatie rest in 'Bij elkaar' na enige tijd alleen de dagelijkse gang van zaken, 'de routine van het kleine weten': naar het werk gaan, boodschappen doen, het delen van elkaars bankrekening en vooral het voorkomen van confrontaties. Is dit wat we willen?
In het begin niets dan witte hitte jij en ik.
Steeds weer moest de liefde minstens
een Chinees vuurwerk van de zinnen zijn,
een alternatief uitspansel bijeenbemind -
o, die hoogmoedblaf van jonggelieven.
Inmiddels is de streng van jou naar mij
door louter compromis aaneengeregen
en met de geur van hoger honing
viel het ook wel mee - of tegen, het is maar
hoe je het ontschrijft. Wat rest ons nog?
(p. 19)
Die geur van hoger honing verwijst naar een beroemd gedicht van Martinus Nijhoff. In een ander gedicht van Zwagerman, 'Na vanacht', gaat het om een modieuze vrijpartij, die camerageniek wordt uitgevoerd en waarbij na afloop verdovende middelen worden ingenomen. Deze one-night-stand is door Zwagerman op rijm gezet - opvallend want meestal schrijft hij vrije, rijmloze verzen.
Het hielp niet. Stiefelde ik rijschoolstraatjeskerend van je weg
in strofen van email en dat we nog wel bellen, echt.
Ik stommelde de trappen af tot leesteken de voordeur punt.
Buiten scherpten zich nevelzacht de zinnen.
Wat beleefd was kon eindelijk beginnen.
(p. 18)
Beginnen? Ja, op papier.
Ik blaf en jank en sproei
waar haar schelp het hebben kan.
Sta mijn mannetje als dierenriem
en worstel zacht met mijn apin
terwijl ik al haar plooien
met lier en scherp lancet bemin.
(Daar ga ik weer. De lynx met speer.)
Ik stel florafauna zwalpend voor
als iets nats en zilts en rauws.
Toch blijft ze ondanks alles
diep en dieper nog teleurgesteld.
Ik kan het nooit zo Nobel en westvlaams
als hugo fucking claus.
(p. 29)
De afdeling 'Collega's' bevat gedichten onder motto's van andere Nederlandse dichters. Het gaat soms om parodieën, zoals het gedicht over K. Schippers; soms om kritiek (Rob Schouten) en zo zijn er ook gedichten over Hans Faverey, Pieter Boskma, Rutger Kopland, Menno Wigman en Rogi Wieg. Het gedicht 'Leiden-Amsterdam' schreef Zwagerman naar aanleiding van de (boven het gedicht geciteerde) ironische uitspraak van recensent Ilja Leonard Pfeijffer: 'Geef mij vandaag geen dichters / Die beginnen met geef mij'. Hij jongleert met citaten van Faverey, Dèr Mouw en Lucebert, net zoals Pfeijffer dat zo vaak doet:
Geef mij een halfuur om van hier naar daar te komen
en de randstad zal rondborstig hooggebergte zijn
begin ik met een jojo en op stelten op het rapenburg
en volg skippyballend via graecibuurt en groene hart
mijn dolzinnig buitelende hoge-snelheidslijn
van grote hoogte drop ik pierlala's op roeiers en chrysanten
waarna ik op een kleedje van advaita wederdaal
en via hoovercraft beheerst woorddronken
zwevend over zoveelvoud verlichte waters
met een sjekkie en op sloffen pardoes de stadsgrens haal
(p. 32)
Zwagerman zei ooit dat hij geen dichter is, omdat poëzie voor hem geen noodzaak is. Dat geldt niet voor de collega's die hij in deze afdeling aan bod laat komen. Het gedicht 'Signatuur' heeft als motto twee versregels van Menno Wigman: 'Mijn leven is door poëzie verpest en ook / Al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets':
Ochtend. Het verveloze uur waarop
in de Bijenkorf geilheid overgaat
in tegenzin en ik bij groot gebrek
aan meisje dwaze dagen simuleer.
In het labyrint denk ik engelend
aan vreemde bedden, beroemde feesten,
Schubert, barakken en novemberwind,
aan lege nachten die er niet toe doen,
gespitst intussen op de poëzie
van afgeprijsde dameslingerie.
(p. 37)
Echt ouderwets donker wordt het niet meer 's nachts, wordt gesteld in 'Hollandse nachten', in 'Uit!', de laatste afdeling van de bundel. Het is een felle aanklacht tegen 'het ketsendfel tl van partycentrum Nederland, every inch een kermistent'.
Vroeger, zegt de zeikerd die gelijk heeft,
toen het in het donker nog echt donker was -
Geen hand voor ogen komt ooit nog terug,
het hermetisch zwart is afgesleten.
Nooit meer het machtig vallen van de nacht,
het op de tast je leven weten. Duisternis
is opgelicht tot sentiment en schemernostalgie.
(p. 55)
In 'Aan de beurt' wordt een spreekbeurt gesimuleerd: een verhandeling over vriendschap die volgens de verteller voor het eerst voorkwam in het holoceen ('dus na de dinosaurussen').
Ze hadden toen nog geen licht
niet elektrisch dus bedoel ik maar ik denk wel kaarsen.
Of anders gewoon vuur.
Daar heb ik een plaatje van.
Kijk.
Hier zie je
hoe ze toen met vuur en dergelijke vriendschap maakten.
Nee, rechts. Bij m'n vinger.
Anders laat ik het wel even rondgaan.
(p. 69)
- Terug naar Introductie