Twee gedichten
… zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings –
dat ik je net zo lang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.
[uit: De ziekte van jij, opgenomen in Tot hier en zelfs verder. De vroege gedichten (2005), p. 41]
Zeven Joosten
Die nacht had ik zeven mooie hoofden
die ik naast mijn ene leven legde op de kast.
Ik deed het licht uit en de hoofden sliepen in.
Mijn romp speelde sjamaan in bed, de halsrib
rond en roodbeknoest, doorzinderd vlees
met aderen die schreeuwden. Mijn zeven mooie
hoofden in rust op rij. Ik verzorgde mij
zoals mijn moeder vroeger plantjes water gaf.
Alles wat ze zeggen over mij is altijd waar
en samen zijn we alle zeven niemandsland.
Alle pluche is ballast voor het polymorfe hoofd.
Mij is geen zonde of verzaking aan te wrijven,
ik doe mijn plicht en vraag niets in ruil.
Ik geef munten aan wie vraagt, duplicaten
aan wie waant, ontucht in het volle licht,
mijn monden vangen zevenvoudig zaad. Mijzelf
genoeg. Ik sta ingeschreven voor onteigening
maar weet niet of verhoord gebed mij past.
[uit: Bekentenissen van de pseudomaan, opgenomen in: Tot hier en zelfs verder. De vroege gedichten (2005), p. 81]