Dit dossier is bijgewerkt tot 15 maart 2005.

Op 2 april 1805 werd Hans Christian Andersen in Odense in Denemarken geboren. Zijn 200e verjaardag was aanleiding voor een wereldwijde viering, aangestuurd vanuit zijn geboorteland. Voor de Benelux was het Deens Cultureel Instituut in Brussel de plaats van waaruit allerlei activiteiten werden gecoördineerd en informatie werd verspreid. In Nederland zijn vier Andersen-ambassadeurs benoemd: Prinses Laurentien, Ivo de Wijs, Freek de Jonge en Daphne Deckers. Naast de feestelijkheden was ook een programma gestart om analfabetisme in ontwikkelingslanden te bestrijden: het HCA ABC Fonds.

“Er leefde eens in Denemarken een schoenlapperszoon met een enorme neus en veel te grote voeten. Zijn vader was dood, zijn moeder aan de drank, grootvader was krankzinnig en tante hield een bordeel. Toen de jongen veertien was, trok hij de wijde wereld in om beroemd te worden. Zijn halve leven was hij op reis. Hij zat aan tafel met koningen en prinsen, hief het glas met kunstenaars en geleerden, maar echte vrienden had hij nauwelijks. Het enige wat hij aan zijn verliefdheden overhield, was een gebroken hart en daarnaast leed hij nog aan slapeloosheid, hoofdpijn, obstipatie, aambeien en helse kiespijnen, aan velerlei angsten en aan chronische aanvallen van onzekerheid. Als balletdanser, zanger, toneel- en romanschrijver mislukte hij. Hij leefde lang en ongelukkig, maar hij schreef 156 sprookjes en die maakten hem onsterfelijk.”

Zo beschreef Bregje Boonstra het leven van Andersen treffend in haar bijdrage aan het boek Wonderland : de wereld van het kinderboek, verschenen in 2002.

Over het leven van Hans Christian Andersen is erg veel geschreven. Andersen hield zelf dagboeken bij van 1825 tot 1875; hij schreef vele brieven die later grotendeels werden gepubliceerd; hij schreef twee autobiografieën en tijdgenoten schreven over hem in kranten en tijdschriften. Ook hebben we een goed beeld van zijn uiterlijk, want Andersen is vaak geportretteerd. In de biografieën wordt hij de meest gefotografeerde persoonlijkheid uit de 19e eeuw genoemd, en wordt beweerd dat Hans Christian Andersen zich gedroeg als ‘the curator of his own existence.’ Hij bewaarde elke brief, elk geschenk, zijn dagboeken en aantekenboeken. Bovendien verwerkte Andersen in zijn verhalen en sprookjes gebeurtenissen uit zijn leven, zo verklaren onderzoekers van zijn werk. Het verhaal over het lelijke jonge eendje dat zich ontpopt tot een prachtige zwaan zou het verhaal van Andersens leven zijn: hij steeg bijna onvoorstelbaar op de sociale ladder, van arme schoenlapperszoon tot lieveling van gekroonde hoofden. Aan het eind van dit verhaal staat: “Het doet er niet toe, of men in een eendenkooi geboren is, als men maar in een zwaneëi gezeten heeft!”

Andersens afkomst en zijn onduidelijke seksuele identiteit waren (en zijn) voer voor biografen. Er worden bewijzen aangedragen dat Hans Christian de onwettige zoon zou zijn van een hooggeplaatste figuur; er wordt zelfs gesuggereerd dat hij een bastaardzoon was van de Deense kroonprins Christian Frederik, de latere koning Christian VIII. Ook wordt aan de hand van dagboeken en brieven beweerd dat hij homoseksueel was.

Andersen bracht drie maal een bezoek aan Nederland, voor het eerst in 1847. Hij maakte kennis met verschillende Nederlandse schrijvers en kunstenaars zoals Jacob van Lennep, de zeer productieve schrijfster van kinderboeken Agatha (pseudoniem van Reinoudina de Goeje), Johannes Kneppelhout, Jan Pieter Heije en Charles Rochussen.

Werk

Andersen schreef romans, toneelstukken, reisverhalen, gedichten, sprookjes, autobiografische geschriften en artikelen. Hij had al gedichten, libretto’s, vertalingen en de roman De improvisator geschreven, toen de eerste bundel sprookjes in 1835 uitkwam: Eventyr fortalte for Børn. Hij schreef er in de loop van de tijd in totaal 156, maar wilde bij latere uitgaven niet vermeld zien dat ze voor kinderen zouden zijn. Hij gaf aan dat het verhaal voor kinderen bestemd was, maar de diepere betekenis voor volwassenen. Hij vond zijn andere werk belangrijker en leed eronder dat de erkenning van de sprookjes ten koste ging van zijn romans en vooral van de toneelstukken. Toch is dat andere werk nu vergeten en hebben de sprookjes hem wereldberoemd gemaakt. De bekoring van de sprookjes zit in de stijl, de natuurlijke frisheid en levendigheid met veel dialogen en details, de lichte toon, de vreugde over het wonder van de natuur en de humor. Anders dan in oudere sprookjes is er veel tragiek in zijn verhalen. Sommige beginnen wel met ‘Er was eens…’ maar ze eindigen niet met ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Er wordt veel pijn geleden voor de liefde: een moeder geeft haar ogen om haar dochter terug te halen van de Dood, maar laat haar dan toch gaan; de kleine zeemeermin loopt als op messen en verliest haar prins toch aan een ander; de tinnen soldaat verbrandt met zijn geliefde.

Andersen putte uit eigen ervaring bij het beschrijven van het contrast tussen armoede en rijkdom, zoals in Het meisje met de zwavelstokjes. Niet geaccepteerd worden omdat je anders bent beschreef hij in Het lelijke jonge eendje. Hij gaf herkenbare menselijke eigenschappen en tekortkomingen weer: ijdelheid in De nieuwe kleren van de keizer, hooghartigheid in De varkenshoeder, het neerzien op natuurlijke schoonheid in De nachtegaal.

Over de hele wereld werden kunstenaars geïnspireerd door zijn verhalen. In mei 2005 verscheen bij uitgeverij Terra in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek een boek van de Utrechtse kunsthistorica Saskia de Bodt over de illustraties in het Nederlandstalige werk van Andersen: Getekend Hans Christian Andersen, zijn geïllustreerde sprookjes in de Lage Landen.

Collectie Koninklijke Bibliotheek

De Koninklijke Bibliotheek beheert een zeer omvangrijke collectie “Anderseniana”: zowel in het Deens als in het Nederlands en in andere talen. De KB-catalogus boeken en tijdschriften geeft ruim 500 treffers op auteursnaam Andersen, Hans Christian, waaronder een 12-delige uitgave van de dagboeken, verschenen van 1971-1977: H. C. Andersens dagbøger, 1825-1875.
Een zeer bijzondere uitgave is H.C. Andersen Album I-V, in 1980 in Kopenhagen uitgegeven. Het is een facsimile herdruk in zeer groot formaat, bijna 50 cm hoog, van vijf plakalbums van Andersen, met daarin tekeningen, portretten, brieven in verschillende talen, ook in het Nederlands, gedroogde bladeren en bloemen, enzovoorts.
Ook in andere talen is veel aanwezig: Duits, Engels, Frans,  Spaans, Fries, Italiaans, Pools, Zuid-Afrikaans en 3 boeken uit ex-Joegoslavië. Twee meertalige uitgaven maken deel uit van de collectie: Historien om en Moder verscheen in 1875 in 15 talen, en Kejserens nye Klæder in 1944 in 25 talen.
Sprookjes die het vaakst afzonderlijk als prentenboek zijn verschenen zijn: Het lelijke jonge eendje en De nieuwe kleren van de keizer.

De collectie van de Koninklijke Bibliotheek heeft zoveel van en over Hans Christian Andersen in huis, dat hier slechts een selectie getoond kan worden in de meest gangbare talen.
Zie voor meer titels de KB-catalogus boeken en tijdschriften van de KB en het Centraal Bestand Kinderboeken. Op de website van het Letterkundig Museum zijn in het bestand LM-Collecties ook veel secundaire boeken en artikelen over Andersen te vinden.

De eerste Nederlandse boekuitgave van de sprookjes verscheen in 1846 bij uitgever M.H. Binger in Amsterdam: Sprookjes / naar het Deensch ; met platen. De verhalen in deze bundel zijn: De ooijevaars, De tuin van het paradijs, Duimelijntje, Het witte madeliefje, Het leelijke jonge eendje, Het standvastige tinnen soldaatje, De bloempjes van Ida, De wilde zwanen, Het vuurstaal, De ondankbare knaap, De rozen-elf, De prinses op erwten, De boekweit.
Helaas is de tweede bundel: Nieuwe sprookjes, die volgens de Nederlandse Bibliografie in 1847 bij dezelfde uitgever is verschenen, in geen enkele openbare collectie aanwezig. Misschien in een particuliere collectie?

De nieuwe kleren van de keizer

Het verhaal is nog steeds bekend en bijna spreekwoordelijk geworden: een ijdele keizer stelt meer belang in mooie kleren dan in staatszaken. Hij laat zich bedriegen door twee vreemdelingen, die hem wijs maken dat zij kleding maken die alleen gezien kan worden door mensen die niet dom zijn en geschikt voor hun ambt. Niemand durft iets te zeggen, uit angst door de mand te vallen, ook de keizer zelf. Hij paradeert met zijn nieuwe kleren door de stad, en iedereen juicht hem toe, totdat een onschuldig kind roept: “Maar hij heeft helemaal niets aan!” Dat “niets” wordt door de kunstenaars die het sprookje hebben geïllustreerd over het algemeen niet letterlijk in beeld gebracht, zoals u hier kunt zien: De nieuwe kleren van de keizer.
Lees het volledige sprookje