Dit dossier is bijgewerkt tot 6 juli 2006.
Op 7 juli 2006 is het vijftig jaar geleden dat Gottfried Benn in Berlijn overleed. Bij de millenniumwisseling werd Benn in Duitsland verkozen tot belangrijkste Duitse dichter van de twintigste eeuw. Zijn sterfdag is daarom uitgebreid herdacht. In veel andere landen waaronder Nederland is hij echter maar in beperkte kring bekend gebleven. Van de weinige Nederlandse vertalingen die van zijn werk zijn verschenen, is alleen de autobiografie Dubbelleven nog nieuw in de handel verkrijgbaar.
Er zijn twee belangrijke oorzaken voor Benns matige bekendheid in Nederland. In de eerste plaats is zijn werk, en dan vooral zijn verhalen en de latere poëzie, bijzonder lastig te vertalen. Het Duits dat hij gebruikt is zelfs voor Duitstaligen erg moeilijk en bovendien doorspekt met tal van dubbele betekenislagen. Vertaler Klaus Siegel noemt het in zijn voorwoord bij Rönne, arts “gechiffreerde schoonheid”. Benn schrijft in complexe, maar prachtige codetaal.
De tweede reden is dat Benn zich in 1933 in een aantal radiotoespraken ten faveure van het net aan de macht gekomen Nazi-bewind heeft uitgesproken. Het maakt hem tot op de dag van vandaag een verdacht dichter. In Duitsland werd het gedenkjaar vooral benut om te discussiëren over de vraag hoe Benn herinnerd en herdacht moet worden. Het clichématige beeld van de opportunistische dichter die de kans op maatschappelijke erkenning al te gretig aangrijpt, vertroebelt nog altijd het zicht op de feitelijke gebeurtenissen die op zichzelf al moeilijk genoeg te begrijpen zijn. Iedereen die zich met Benn bezighoudt, komt vroeg of laat een Benn tegen die hij niet herkent.
Dat gold in niet mindere mate voor Benn zelf. Ook al heeft hij zich heel kort na de abjecte redevoeringen van zijn toenmalige denkbeelden gedistantieerd en vervolgens uitgebreid naar de achtergronden van zijn misstap gezocht; een sluitende verklaring heeft hij nooit gevonden. Zijn autobiografie heet Doppelleben. De titel verwijst naar de twee carrières die Benn zijn hele leven naast elkaar volhield. Overdag was hij huidarts; gespecialiseerd in geslachtsziekten. ’s Avonds schreef hij zijn essays en gedichten of hij hield voordrachten over Duitse dichters en denkers die hem beïnvloed hadden zoals Goethe en Nietzsche. Hij probeerde deze twee levens strikt gescheiden te houden. Die gespletenheid maakt hem een even dankbaar als ingewikkeld onderwerp voor biografen.
De vraag wie Gottfried Benn was, is dus niet zo eenvoudig te beantwoorden. “Ik ben de vreemdste en meest onbegrijpelijke man die ik ken”, zei hij zelf. Vast staat dat hij op 2 mei 1886 in Mansdorf als zoon van een plattelandsdominee werd geboren. Als jongen werd Benn ter ondersteuning van een adellijke dorpsgenoot naar het gymnasium gestuurd. Voor de intelligente zoon van een dominee is het een blijvende vernedering geweest dat hij de sociale status miste om op eigen titel deze opleiding te mogen volgen.
Op jonge leeftijd publiceerde hij zijn eerste gedichten in expressionistische tijdschriften als Der Sturm en Die Aktion. Uiteindelijk werden deze in 1912 gebundeld in Morque und andere Gedichte. In deze bundel koppelt hij een expressionistische stijl aan zijn ervaringen als patholoog-anatoom. De gedichten over een verzopen bierrijder met een aster tussen zijn tanden en een man en een vrouw die door de kankerbarak lopen, brachten bij het publiek destijds een grote schok teweeg.
In de eerste wereldoorlog was Benn als legerarts werkzaam in Brussel. Tijdens zijn verblijf daar experimenteerde hij met drugs als cocaïne, wat zijn weerslag heeft gehad op de verhalen die hij in die tijd schreef en die bekend zijn geworden onder de naam ‘Rönne-cyclus’. De ervaringen van Benns alter ego Dr Rönne zijn in ontoegankelijk, maar intrigerend proza te boek gesteld.
Met zijn bijzonder originele werk begon Benn in kunstenaarskringen gestadig naam te maken. In 1931 werkte hij samen met componist Paul Hindemith aan het oratorium Das Unaufhörliche. In 1933 werd hij met de stemmen van Heinrich en Thomas Mann tot lid van de Duitse Akademie gekozen. Over de rol die hij na zijn verkiezing in de Akademie heeft gespeeld, wordt nog altijd gediscussieerd. Met zijn radiotoespraak: Der neue Staat und die Intellektuellen spreekt Benn zich echter onmiskenbaar voor de nationaal-socialisten uit. De jonge Klaus Mann probeert Benn per brief ervan te overtuigen dat deze op een dwaalspoor zit. Als Benn hierop zeer ongenuanceerd reageert met Antwort an die literarischen Emigranten roept Mann, die tot dan toe een vurig bewonderaar van Benns werk was, in het in Amsterdam uitgegeven emigrantentijdschrift Die Sammlung op tot “onverzoenbaarheid jegens de verrader”.
In 1934 distantieert Benn zich van zijn uitspraken en in 1938 krijgt hij van de nazi’s een publicatieverbod opgelegd. Benn trekt zich terug uit het publieke leven en schrijft zijn Statische Gedichte. Deze zijn berustend en melancholiek van toon en behoren tot het mooiste dat hij heeft geschreven. Geleidelijk aan oogstte zijn werk meer bewondering. In 1951 krijgt hij de Georg-Büchnerpreis. Als hij in 1956 aan kanker overlijdt, is de heersende stemming dat Duitsland een belangrijk dichter is kwijtgeraakt.
Literatuur