Dit dossier is bijgewerkt tot 21 augustus 2008.

‘Een verlegen, nerveuze, eigenwijze man die, hoewel tenger gebouwd, met zijn vette wangetjes en kleine oogjes het meest leek op een varken. Hij had nerveuze manieren en zijn verlegenheid zorgde ervoor dat hij onvriendelijk leek. Een normale conversatie was onmogelijk: hij sprak in korte stijve zinnen die regelmatig werden onderbroken door abrupte lachsalvo’s. Onverwacht geluid of licht konden kon hem doen opschrikken. Hij schaakte liever met Willem Witsen dan dat hij een gesprek voerde.’ Zo beschreef de kunstverzamelaar en arts J.F.S. Esser de schilder en fotograaf George Hendrik Breitner, die 150 jaar geleden, op 12 september 1857, als zoon van een commissionair in granen in Rotterdam werd geboren. Esser schreef ook in zijn memoires dat hij Breitner de belangrijkste kunstenaar van de negentiende eeuw vond, terwijl Willem Witsen, met wie Breitner zijn leven lang bevriend zou blijven, hem beschouwde als een genie. Breitner zelf zag zich als ‘een schilder van het volk’, een op grond van zijn onderwerpen en de realistische benaderingen ervan terecht gekozen kwalificatie.

Echte artiesten

Na een korte periode les te hebben gehad van de genreschilder Cristoffel Neurdenberg, verliet Breitner in 1876 Rotterdam om in Den Haag aan de Haagse Academie zijn opleiding voort te zetten. In deze stad kwam hij via de kunstenaarssociëteit Pulchri Studio ook in contact met de schilders van de Haagse School. Kunstenaars zoals Jozef Israëls, Jacob Maris, Anton Mauve en anderen: ‘de echte artiesten’ zoals Breitner hen beschreef, ‘joviale kerels, die iemand nog eens een hart onder de riem steken.’ Hun werk sprak hem veel meer aan dan wat hij leerde op de strenge Academie. Wegens wangedrag (hij kwam soms wekenlang niet opdagen, en hij had het bord met reglementen vernield) moest hij in 1880 de Haagse Academie verlaten. Hij gaf inmiddels zelf les aan de Leidse schilder- en tekenacademie, waar hij zich ‘vreeselijk verveelde’. Van een van zijn leerlingen, de jonge Floris Verster, weten we dat hij tijdens het lesgeven veel tekende ‘op vellen los papier, paarden met soldaten en kanonnen, die ik soms ter sluiks kon bewonderen, want zien liet hij ze nooit.’
Paarden en oorlogstaferelen waren onderwerpen die Breitner al sinds zijn jeugd graag en met veel vaart had weten weer te geven. Dat was voor Hendrik Willem Mesdag de reden om hem in 1880 te vragen mee te werken aan het Panorama Mesdag in Scheveningen, waarvoor Breitner onder andere de cavalerie op het strand zou schilderen.

Een schilder van het volk

In 1882 leerde Breitner Vincent van Gogh kennen. Met deze kunstenaar moet hij zich - ondanks een latere opmerking waarin hij diens werk als ‘zonder de minste distinctie en buitendien alles nog gestolen goedje van Millet en anderen’ kwalificeerde – enigszins verwant hebben gevoeld. Samen trokken ze erop uit om in de Haagse volksbuurten arbeiders en volksmeisjes te tekenen. Uit deze tijd dateert ook Breitners bekende uitspraak die hij in een brief aan zijn beschermheer, de graanhandelaar A.P. van Stolk, optekende: ’Ik zelf, ik zal de menschen schilderen op de straat en in de huizen, die ze gebouwd hebben, ’t leven vooral. Le peintre du peuple zal ik trachten te worden of liever ben ik al omdat ik ’t wil. Geschiedenis wilde ik schilderen en zal ik ook, maar de Geschiedenis in haren uitgebreidsten zin. Een markt, een kaai, een rivier, een bende soldaten onder een gloeiende zon of in de sneeuw is net zoo goed en meer geschiedenis dan ‘De nichtjes van Spinoza komen hem bezoeken vergezeld door hunne mamma’.
In mei 1884 vertrok Breitner naar Parijs, al sinds de jaren zestig van de 19e eeuw het centrum van de kunstvernieuwing. Alhoewel hij er maar een half jaar woonde, heeft zijn verblijf in deze stad zeker sporen nagelaten. Hij schilderde er stadsgezichten, paarden, karren en bouwputten, onderwerpen die hij later in Amsterdam weer zou oppakken en die hem veel roem zouden opleveren.
Weer terug in Den Haag begon Breitner zich los te maken van zijn vrienden van de Haagse School. Hun onderwerpen: landschappen en zeegezichten, boeiden hem nog maar matig. Ook begon de sfeer van de gezapige residentiestad hem te benauwen.

Naar Amsterdam

In 1886 verhuisde Breitner voorgoed naar het roerige en bruisende Amsterdam waar hij, niettegenstaande zijn goede reputatie als kunstenaar en tot verbazing van de docenten en leerlingen, zich liet inschrijven aan de Rijksacademie. Maar ook daar volgde hij nauwelijks lessen. Na een jaar hield hij het er voor gezien en zocht hij meer aansluiting bij de kunstenaars uit de omgeving van de Tachtigers, wier interesses en visie hij deelde. Amsterdam was in de jaren tachtig van de 19e eeuw een grote, dynamische stad aan het worden. Er vond veel afbraak en stadsvernieuwing plaats en de bedrijvigheid nam enorm toe. Het straatleven: de mensen - vooral uit de lagere klasse - de bouwputten, de paardentram, de havens, de kades en grachten met hun boten en pakhuizen vormden voor Breitner een onuitputtelijke bron van inspiratie. Talloze malen heeft hij deze onderwerpen, in alle weersomstandigheden en vanuit elk denkbaar perspectief en met veel levendigheid op doek en op papier afgebeeld.
Breitner begon vrij laat, pas rond de jaren 1889, met fotograferen. Waarschijnlijk hebben zijn schilderende vrienden uit de kring rond de Tachtigers hem daartoe aangezet. Zoals de meeste kunstenaars uit die tijd gebruikte hij dit medium in de eerste plaats als een hulpmiddel en geheugensteuntje voor zijn schilderijen en tekeningen, maar de foto’s zijn ook prachtige getuigenissen van het stadsleven in Breitners tijd. Het zijn momentopnames, dynamische zwart/wit beelden van soms toevallige, dan weer welbewust uitgekozen onderwerpen, geregistreerd met een moderne en originele blik.

Japanse meisjes

Naast stadsgezichten schilderde Breitner ook interieurs, stillevens en portretten. Vooral bekend zijn de schilderijen en foto’s van meisjes in kimono, die hij 1893 in zijn atelier aan de Lauriergracht vervaardigde. De meeste portretten uit deze serie zijn van de zeventienjarige Geesje Kwak, maar ook andere meisjes stonden model. Deze ‘vrouwmenschen van verdacht uiterlijk en ongegeneerd van houding’ werden door sommige critici nogal aanstootgevend gevonden. In het oeuvre van Breitner nemen de curieuze schilderijen (en foto’s) van zijn ‘Japanse’ meisjes in ieder geval een opvallende plaats in.
Naar aanleiding van een grote overzichtstentoonstelling in 1901-1902 schreef een criticus: ‘Nooit hebben wij de zwarte aarde in zóó schoone schakeringen van diep donkere kleuren gezien [...] een Amsterdamsche gracht, wie had er geen oog voor? [...] Maar in een heiput, in den natten, drassen Amsterdamschen bodem, hadden we nimmer de stof gevonden ter streeling van ons aesthetsich gevoel - totdat Breitner kwam.’
Ook al genoot Breitner nog tijdens zijn leven een grote reputatie, toch behoedde dit hem niet voor geldzorgen, wat er zelfs toe leidde dat er een steuncomité voor hem en zijn vrouw moest worden opgericht. Op 5 juni 1923 stierf deze schilder van het volk aan een hartaanval. Onder overweldigende belangstelling werd hij in Amsterdam begraven.

Literatuur

Links