Dit dossier is bijgwerkt tot 11 november 2011

In de nacht van 1 op 2 november 1561 werd een verzegeld pakje over de muur van het kasteel in Doornik geworpen. Daarin zat een anoniem boekje met de titel Confession de Foy. Voor in het boekje was een brief ingebonden aan de koning Philips II van Spanje. Er zat apart een brief bij voor de landvoogdes, Margaretha van Parma. Het was kennelijk de bedoeling dat de bevelhebber van het kasteel, De Montigny, het pakje door zou sturen naar de landvoogdes en dat het via haar de koning zou bereiken. Dit obscure Franstalige boekje zou later de grondslag vormen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Opkomende Reformatie

Rond 1550 liepen in de Zuidelijke Nederlanden verscheidene protestantse figuren van formaat rond. Dat was te danken aan de invloed van Calvijn. Hij had velen van hen tijdens hun ballingschap les gegeven aan zijn academie te Genève. Anderen hadden zijn geschriften gelezen, die overal de steden werden binnengesmokkeld. Op hun beurt gaven deze voormannen in preken of geschriften de calvinistische geloofsopvatting door aan hun landgenoten. Maar het was zeer gevaarlijk in die tijd om openlijk een protestantse groep op te zetten. Het Habsburgse katholieke bewind had een geducht repressieapparaat in het leven geroepen tegen ketters. Tot dan toe waren vooral de wederdopers vervolgd. Maar de inquisitie maakte nu ook jacht op calvinisten. Daarom opereerden deze gereformeerde gemeenten in het geheim, onder schuilnamen en met rondtrekkende predikers.

Guido de Brès: opsteller van de Confession de Foy

Eén van deze voormannen was Guido de Brès uit Bergen in Henegouwen. Hij stond van 1559 tot november 1561 aan het hoofd van de gemeente “La Palme”, die verspreid was over de steden Doornik, Rijsel en Valenciennes. De Brès maakte zich bezorgd over het feit dat de autoriteiten de gereformeerden ervan beschuldigden ongehoorzaam te zijn aan de staat. Dit deden in zijn ogen de wederdopers, maar niet de gereformeerden. Daarom schreef hij een geloofsbelijdenis waarin naast de verschillen vooral de overeenkomsten tussen de katholieke en gereformeerde leerstellingen benadrukt werden, zoals het leerstuk van de drie-eenheid. Nadat hij zijn geschrift door enkele invloedrijke calvinisten had laten goedkeuren, liet hij het in 1561 clandestien drukken en behoedzaam verspreiden.

Vlucht uit Doornik en auteurschap ontdekt

In september 1561 gingen leden van zijn gemeente ’s avonds in Doornik psalmzingend de straat op. Margaretha van Parma, die al een exemplaar van de Confession in bezit had en er niet blij mee was, besloot hard op te treden tegen deze chanteries. De Brès – hiervan onkundig – besloot om zijn Confession via de landvoogdes aan de koning aan te bieden, in de hoop hiermee een verzoening tot stand te brengen. Maar het effect was tegengesteld en De Brès moest vluchten. De autoriteiten kregen snel door wie de auteur was. In januari 1562 vond de inquisitie in Doornik de restanten van zijn boekerij, waaronder 200 exemplaren van de Confession. Maar ook het drukkersmerk vormde een aanwijzing. Het verwees naar Abel Clémence te Rouen, die meer clandestiene calvinistische werken had gedrukt.

Confession de Foy als de Nederlandse geloofsbelijdenis

De Confession was bedoeld als een geloofsbelijdenis voor de Zuid-Nederlandse gereformeerden. Maar door de hechte organisatie van de calvinisten zou ze snel in veel wijdere kring als geloofseenheid worden aanvaard. Eerst werd ze aangenomen door de Belgische kruisgemeenten Antwerpen (1561) en Armentières (1563). Maar in 1571 kreeg ze kerkelijke geldigheid toen ze als ‘Formulier van Eenheid’ werd aanvaard werd door de Nationale Synode te Emden (1571). Tenslotte is de oorspronkelijke tekst, zowel de Franse (1561) als de Nederlandse (1562), op de Synode van Dordrecht (1618-’19) aanvaard als de authentieke tekst. Daarmee werd zij de officiële geloofsbelijdenis van de Nederlandse Hervormde kerk.

De Confession de Foy in de Koninklijke Bibliotheek

In de Koninklijke Bibliotheek bevindt zich een eerste uitgave van de Confession van 1561. Jhr.  A.D. Trip van Zoudtland (1776-1835) kocht dit exemplaar en schonk het aan de KB. Het boekje is zeldzaam, maar niet uniek. Eenzelfde exemplaar is in 1972 teruggevonden in de Bayerische Staatsbibliothek te München. Een exemplaar van de oudste Nederlandse vertaling uit 1562, Belydenisse des gheloofs, werd gevonden door de Nederlandse geleerde dr. Antonius van der Linde (1833-1897). Ook hij schonk zijn exemplaar aan de KB.

De persoon Guido de Brès

Guido de Brès was de onbetwiste leidsman van de Reformatie in de Zuidelijke Nederlanden. Een belangrijke bron voor zijn leven is Jean Crespin, auteur van het bekende martelarenboek Histoire des martyrs (1554-1564). De Brès heeft zelf aan een heruitgave van dit boek meegewerkt door uitvoerig gegevens te verstrekken over martelaren uit Doornik en directe omgeving. Zijn eigen leven en martelaarsdood werden door Crespin gedetailleerd beschreven in Histoire des vrays temoins de la vérité de l’ Evangile (1570). Vanaf 1548 was het leven van De Brès een aaneenschakeling van vluchten, lezen, schrijven en prediken. In 1564 werd hij betrokken bij een overleg over mogelijke samenwerking tussen lutheranen en calvinisten. Bij dat overleg was ook Willem van Oranje aanwezig. Op verzoek van prediker Peregrinde de la Grange keerde hij in 1566 terug naar Valenciennes. Om beurten hielden ze er openbare diensten, onder bescherming van gewapende ruiters. Zij waren zo succesvol, dat spoedig tweederde van de bevolking fanatiek calvinist was. Maar toen de stad in 1566 werd belegerd, is de ijdele hoop op militaire hulp van de edelen, in het bijzonder van Willem van Oranje, hun noodlottig geworden. De stad moest zich overgeven. De Brès en De La Grange werden op hun vlucht gearresteerd en in de nacht van 30 op 31 mei 1567 te Valenciennes opgehangen.

      

Literatuur