Dit dossier is bijgewerkt tot 15 april 2011

Fidel Alejandro Castro Ruz werd op 13 augustus 1926 als zoon van een rijke, uit Spanje afkomstige plantagehouder geboren nabij Birán in Cuba. Reeds gedurende zijn studie rechten in Havana (1945-1950) raakte hij betrokken bij revolutionaire groepen die zich zouden gaan verzetten tegen de door de Verenigde Staten gesteunde generaal Fulgencio Batista, die Cuba feitelijk regeerde van 1934 tot 1944. Door een staatsgreep kwam Batista in 1952 wederom aan de macht.

In 1953 organiseerde Castro een gewapende overval op een politiekazerne. De overval mislukte en Castro werd tot vijftien jaar gevangenisstraf veroordeeld. Een amnestieregeling bezorgde hem echter al na twee jaar de vrijheid. Gedurende zijn daaropvolgende ballingschap in Mexico en de Verenigde Staten werkte hij mee aan de vorming van een revolutionaire groep (Revolutionaire Beweging van de 26ste juli) die de strijd met Batista aan moest gaan. Op 2 december 1956 landden Fidel Castro en 81 anderen, onder wie zijn broer Raúl Castro en Che Guevara op de zuidkust van Cuba. Na een twee jaar durende strijd ontvluchtte Batista uiteindelijk het land op 1 januari 1959.

Castro werd op 16 februari 1959 premier van Cuba. De verhouding met de Verenigde Staten zou door de processen tegen aanhangers van Batista en allerhande onteigeningen zwaar op de proef worden gesteld. Een bezoek van Castro aan Washington leverde slechts wederzijdse animositeit op. Als gevolg hiervan wendde hij zich voor hulp tot de Sovjet-Unie. Het verdrag dat Castro met dat land sloot over de import van olie deed de Verenigde Staten besluiten alle diplomatieke banden met Cuba te verbreken. De hulp van Moskou bleef daarna niet alleen tot olie beperkt, maar omvatte ook economische en militaire steun. Castro zelf werd aanhanger van het marxistisch-leninistische gedachtegoed.
Met steun van de CIA voerden Cubaanse ballingen op 17 april 1961 een invasie uit op Bahía Cochinos (Varkensbaai) teneinde het bewind van Fidel Castro omver te werpen. De ballingen leden echter een zware nederlaag en twee Amerikaanse marineschepen werden tot zinken gebracht. Castro, die aanwezig was bij de gevechtshandelingen, zag zijn reputatie als ‘held van de revolutie’ onder de bevolking met sprongen vooruitgaan.

Toen de Verenigde Staten in 1962 merkten dat de Sovjet-Unie in het geheim raketbases op Cuba bouwden, besloten zij tot een blokkade rond het eiland. De spanning liep hoog op maar Moskou riep zijn met raketten geladen schepen uiteindelijk terug. Een kernoorlog was op het laatste ogenblik afgewend.

De Verenigde Staten zouden nog meermaals pogingen ondernemen om Cuba en zijn regering te verzwakken en Castro van het leven te beroven. Castro, die zich op 3 december 1976 tot president liet benoemen, bleef echter stevig in het zadel zitten. De agressieve Amerikaanse politiek werd door hem handig gebruikt om onder de Cubanen saamhorigheidsgevoel te kweken. Zelfs zijn excommunicatie door Paus Johannes XXIII was voor de katholieke Cubanen geen reden om zich van 'El Líder Maximo' te ontdoen.

Met hulp van Moskou kregen de Cubanen huizen, onderwijs, medische zorg en voedsel en de armoede verdween. Nadat de Sovjet-Unie in 1991 uiteen was gevallen moest Castro nieuwe bronnen van inkomsten vinden. Dat lukte maar matig en Cuba verviel in een diepe economische crisis, die sporen naliet in de veel geroemde kwaliteit van onderwijs en gezondheidszorg. Ook de voedselvoorziening haperde. Wederom bleef Castro echter aan het roer. Dat hij gedurende de vele jaren van zijn regime oppositie bijzonder stevig aanpakte zal daar zeker ook toe hebben bijgedragen. Castro is meermaals (o.a. door Amnesty International) beschuldigd van het schenden van mensenrechten. Ongeveer één miljoen Cubanen ontvluchtten hun land onder Castro's bewind om politieke of economische redenen en hebben hun heil in de Verenigde Staten gezocht. Deze economisch sterke groep is van grote invloed op de Cubaans-Amerikaanse relaties.

Op 31 juli 2006 werd het nieuws bekend gemaakt dat Raul Castro, Fidels broer, tijdelijk de leider van het land zou zijn. Castro onderging in augustus van dat jaar een zware operatie aan zijn darmen. Op 20 januari 2007 liet hij de Venezolaanse president Hugo Chávez, die als een van de weinige leiders nog warme banden met Castro onderhield, weten dat hij voor zijn leven v0cht. De 81-jarige Castro liet zijn volk op 19 februari 2008 via een brief in de staatskrant Granma weten geen nieuwe ambtstermijn als president en opperbevelhebber te aanvaarden. Daarmee kwam officieel een eind aan zijn bijna een halve eeuw durende leiderschap van Cuba.

Literatuur