Dit dossier is bijgewerkt tot 18 april 2001
De laatste jaren wordt de consument steeds vaker opgeschrikt door berichten over onveilig vlees. Biologische slagers varen wel bij de recente uitbraken van besmettelijke dierziekten. Veelvuldig wordt een verband gelegd tussen de omstandigheden waaronder dieren in de bio-industrie worden gehouden en de ziekteverschijnselen bij dieren. De individuele boer zou onder druk van schaalvergroting het welzijn van dieren uit het oog verliezen. Het is echter de vraag of dit aan de hand van feiten is te staven.
BSE is inmiddels al lang niet meer de enige ernstige dierziekte. De varkenspest van 1997 ligt nog vers in het geheugen en bij schapen werden recentelijk nieuwe gevallen van scrapie, een aan BSE verwante ziekte ontdekt. In maart 2001 kwam daar de nieuwe uitbraak van mond- en klauwzeer bij.
De publieke opinie begint een steeds grotere rol te spelen in het voedselveiligheidsbeleid. Ook al is mond- en klauwzeer niet schadelijk voor de mens, toch draagt het bestaan ervan bij aan het gevoel van onveiligheid bij de consument. Over de vorming van de publieke opinie rond BSE door onder andere het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verscheen in maart 2000 een rapport getiteld Een verwrongen beeld? Kranten- en persberichten tijdens de BSE-crisis.
BSE
In november 1986 werden in Engeland de eerste gevallen van BSE gemeld. BSE (Bovine Spongiforme Encephalopathie), ook wel gekke-koeien-ziekte genoemd, wordt veroorzaakt door eiwitten (prions) die de hersenen van een besmette koe aantasten. De prionen worden ook in gezonde dieren aangemaakt, maar kunnen muteren tot ziekteverwekkers. Een eenmaal gemuteerd prion kan ook andere prionen vervormen, waardoor uiteindelijk gaten in de hersenen ontstaan. In eerste instantie was niet duidelijk dat deze ziekte gevolgen had voor de volksgezondheid. Pas in maart 1996 toonde een rapport aan dat het eten van met BSE besmet rundvlees een verhoogde kans gaf op de ziekte van Creutzfeldt-Jakob, een dodelijke hersenziekte bij mensen. Op dat moment waren er in Groot Britannië al meer dan 100.000 gevallen van BSE geconstateerd. De kadavers van deze besmette dieren werden nog altijd verwerkt in het veevoer voor gezonde dieren, zodat de epidemie snel om zich heen greep. Toen het verband met de ziekte van Creutzfeldt-Jakob eenmaal gelegd was, werden er onmiddellijk maatregelen getroffen om verdere verspreiding te voorkomen. Deze maatregelen bleken echter niet voldoende: in 1996 werd in Duitsland de eerste BSE-koe ontdekt, in Nederland duurde het tot maart 1997 voordat het eerste geval bekend werd. Inmiddels zijn er in Nederland 14 gevallen aan het licht gekomen.
Mond- en klauwzeer
In maart 2001 brak in Engeland een nieuwe epidemie uit op een boerderij in het graafschap Essex. Ditmaal was het de gevreesde ziekte mond- en klauwzeer (MKZ). Deze ziekte is zeer besmettelijk en leidt met name onder jonge dieren tot hoge sterftecijfers. Onmiddellijk werden alle maatregelen getroffen om verdere verspreiding te voorkomen. Dieren werden preventief geruimd en verbrand, maar desondanks verspreidde het virus zich, eerst verder door Engeland, later ook in Frankrijk.
Ook in Nederland zijn er inmiddels gevallen van MKZ ontdekt, die leidden tot zeer sterke maatregelen om te proberen het virus te beperken. Omdat het virus zeer besmettelijk is, is dit echter een zeer moeilijke taak.
In 1991 werd in Europees verband besloten om niet meer te vaccineren tegen MKZ. De anti-stoffen die dieren die gevaccineerd waren ontwikkelen, zijn namelijk gelijk aan de anti-stoffen die dieren die daadwerkelijk besmet zijn produceren. Dit was voor een aantal Aziatische landen en voor de Verenigde Staten aanleiding om geen gevaccineerde dieren meer in te voeren. Daarbij kwam het risico dat het vaccin - een geïnactiveerd virus - zou leiden tot nieuwe uitbraken, in plaats van deze te voorkomen. Er werd besloten de vaccinatie stop te zetten. Een nieuwe uitbraak kan zich dan nu ook veel sneller en veel verder verspreiden dan voorheen, toen vaccinatie nog gemeengoed was.