Dit dossier is bijgewerkt tot 5 juni 2007
Literatuur
- Titels Expedities algemeen
- Titels Expeditieverslagen
- Titels KNAG
- Titels Wereldtentoonstelling 1883
- Links
Het Nederlands landschap vertoont hier en daar een lichte glooiing maar is over het algemeen vlak, het wordt doorkruist door enkele redelijk controleerbare rivieren en alle bossen zijn door mensenhand aangelegd. Deze kalmte en overzichtelijkheid staan in schril contrast met de woeste landschappen in andere delen van de wereld. Eeuwenlang spraken verhalen over donkere wouden, hoge gebergten, woeste mannen, kolkende rivieren en vruchtbare gronden in ver gelegen gebieden tot de verbeelding van veel Nederlanders. Vanaf de negentiende eeuw werd steeds meer bekend over deze gebieden. Vanuit Nederland speelde het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) een belangrijke rol bij het invullen van de witte plekken op de wereldkaart. In 2003 vierde het KNAG haar 130-jarig bestaan.
'De handel volgt de wetenschap'
Begin negentiende eeuw stelde Nederland internationaal gezien weinig meer voor, terwijl het eens toch tot de grootste en welvarendste handelsnaties behoorde. Veelvuldig waren in die tijd ontevreden geluiden te horen over de vergane glorie van de ingeslapen Nederlandse natie. Nederlandse wetenschappers en handelaren hadden behoefte aan nationale trots en dachten dit te kunnen vinden in de koloniën.
De Oost en de West stonden onder Nederlandse invloed, maar bestuursposten waren vooral aan de kusten gevestigd en grote delen van de binnenlanden waren nog onbekend. Deze witte plekken op de wereldkaart zouden een bron van informatie vormen voor de moderne wetenschappen. De Nederlandse koloniën oefenden bovendien een grote aantrekkingskracht uit op ondernemers: zij hoopten op winstgevende exploitatie van natuurlijke bronnen.
In 1873 werd, in navolging van andere Europese landen, ook in Nederland een Aardrijkskundig Genootschap opgericht. Uit de openingsrede van de eerste voorzitter P.J. Veth blijkt dat wetenschap, economische belangen en nationale trots geacht werden hand in hand te gaan: 'De aardrijkskunde is een wetenschap voor allen: de handelaar, de industrieel, de zeevaarder, de krijgsman, de landverhuizer, de reiziger hebben, zoowel als de onderwijzer, aan haar kennis groote behoefte.' In de negentiende eeuw was te weinig ondernomen om nieuwe handelswegen aan te boren. De handel volgt de wetenschap, was de gedachte en daarmee zou Neerlands nationale trots in ere hersteld worden.
De oprichters kozen voor een moderne, praktische en maatschappelijke aanpak. Er zouden georganiseerde, wetenschappelijke tochten ondernomen worden door verschillende onbekende gebieden. De tijdens deze expedities opgedane kennis zou aan een groter publiek worden overgedragen door middel van publicaties in tijdschriften die in de loop van de negentiende eeuw in steeds grotere aantallen verschenen.
Expedities
In de periode van 1877 tot 1959 organiseerde het Aardrijkskundig Genootschap, dat zich sinds 1888 Koninklijk Nederlands mag noemen, tientallen expedities naar verschillende verre oorden. De voornaamste bestemmingen waren de eilanden van de Indonesische archipel en de binnenlanden van Suriname, maar er was ook aandacht voor de Indianen van Noord-Amerika en de Boeren in Zuidwest-Afrika.
Aan de expedities gingen jaren van voorbereiding vooraf. Het KNAG werkte vaak samen met het koloniaal bedrijfsleven en met organisaties als de Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandse Koloniën (MNK) en de Vereniging voor Suriname. Over het algemeen werd een organiserend comité opgericht dat financiers zocht, overleg pleegde met overheid en lokale besturen, expeditieleden samenbracht en de uitrusting verzorgde. Een expeditieteam bestond uit een aantal wetenschappers van verschillende disciplines. Daarnaast gingen vaak een fotograaf en een marineofficier mee op pad. Expedities werden na 1879 meestal vergezeld door een groep militairen die eventuele aanvallen van vijandige 'inboorlingen' af moest slaan.
Er werd een basiskamp opgezet van waaruit verschillende exploratietochten vertrokken. Iedere wetenschapper werd op zijn tochten vergezeld door inlandse dragers die alle meetinstrumenten, het voedsel en de uitrusting meenamen over bergen, langs rivieren en door dalen. Tijdens de tochten werd bodemonderzoek verricht en werden landmetingen gedaan zodat het gebied in kaart kon worden gebracht. Verder onderzocht men de taal en cultuur van de lokale bevolking en werden etnografica verzameld. Op enkele reizen legde een antropoloog de fysieke eigenschappen van de bevolking vast; mensen werden gemeten en volgens bepaalde richtlijnen gefotografeerd.
Tijdens de eerste expedities werden verschillende vakgebieden vaak door één persoon gedekt, later was het aantal wetenschappers dat deelnam groter en kon men meer specialistisch te werk gaan. Naarmate de tijd verstreek, werden onderzoeksmethoden geavanceerder en apparatuur handzamer. Terwijl de onderzoekers in 1873 op Midden-Sumatra niet in staat waren de loodzware fotocamera mee te nemen naar de top van Gunung Kurinci, konden in 1939 de eerste luchtopnamen van de Wisselmeren in Nieuw-Guinea naar Nederland worden gestuurd.
In Nederland leefde men mee met het wel en wee van de wetenschapshelden. In tijdschriften verschenen verslagen van de expedities. Daarnaast werden verslagen in boekvorm gepubliceerd, vaak voorzien van prachtige foto's en gedetailleerde kaarten. De etnografische opbrengsten in volkenkundige musea aan het publiek getoond. Tijdens de wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam was zelfs voor het eerst een aantal Javanen en Surinamers te zien in hun 'natuurlijke' leefomgeving.
Toen in 1959 de Juliana-top in Nieuw-Guinea was beklommen, was de laatste witte plek op de wereldkaart ingevuld en viel definitief het doek voor de KNAG-expedities. In de jaren '60 bekroop een algemeen schuldgevoel over het koloniale verleden ons land. Alles wat daar enigszins mee te maken had, werd naar de achtergrond gedrukt en afgedaan als slecht. Zo verging het ook de expedities, maar we zijn inmiddels in staat het koloniale verleden van een afstand te beschouwen en zowel de goede als de slechte kanten onder ogen te zien. Terwijl bij het 100-jarig bestaan van het KNAG vrijwel geen aandacht was voor de expedities, vormden zij het centrale thema bij de viering van het 130-jarig bestaan. In tentoonstellingen in het Tropenmuseum te Amsterdam en het Rotterdams Mariniersmuseum werd volop aandacht geschonken aan de ontdekkingstochten. Daarnaast is een lustrumcatalogus verschenen die geheel gewijd is aan de expedities.