Afschaffing slavernij (1863)

Afschaffing slavernij (1863)

Dit dossier is bijgewerkt tot: 
24 juni 2013

Honderdvijftig jaar geleden werd in de Nederlandse koloniën de slavernij afgeschaft. Op 1 juli 1863 werden in Suriname, Nederlands belangrijkste slavenstaat in de West, zo’n vijfendertigduizend mensen uit de slavernij verlost. Kanonschoten vanaf het fort Zeelandia kondigden hun nieuw verkregen vrijheid aan. Tegelijkertijd werden op de Antillen ongeveer twaalfduizend mensen in vrijheid gesteld.

Vrijheid onder voorwaarden

Die ex-slaven moesten nog wel tien jaar op de plantages blijven werken. Daar kregen ze een kleine vergoeding voor. Er was trouwens sprake van nog een vergoeding vanwege de afschaffing. Niet voor de slaven, maar voor de onthand geraakte eigenaren. Driehonderd harde Hollandse guldens per vrijgemaakte slaaf ontvingen de slavenhouders. Dat werd bekostigd uit de winst die Nederland had gemaakt op de bezittingen in de Oost.
In Nederlands Oost-Indië was de slavernij formeel en geruisloos afgeschaft in 1860. Slavernij was daar op zijn retour en de afschaffing was de bevestiging van een bestaande situatie. Op Sint Maarten verdween de slavernij al in 1848, toen zij op de Franse helft van het eiland werd afgeschaft.

De Republiek en de slavernij

Aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw voeren Nederlandse schepen langs de westkust van Afrika. Daar handelden zwarten en Arabieren in Afrikaanse slaven en die handel was winstgevend. Incidenteel verkochten ook Nederlandse koopvaarders slaven op de Portugese markt. Hoewel slavernij allang uit Nederland was verdwenen, besloot de West Indische Compagnie (WIC) om vanaf ca. 1635 deel te nemen aan de slavenvaart en de slaefhandel. Die handel verliep volgens een ‘driehoeks’ model, waarbij de schepen van Europa naar Afrika voeren, met slaven aan boord overstaken naar de Nieuwe Wereld en vandaar terugkeerden naar Europa.

Plantages in Brazilië en Suriname

Het transport van Afrikaanse slaven kwam pas goed op gang toen de Republiek delen van Brazilië op de Portugezen had veroverd. Nadat dit gebied weer aan de Portugezen moest worden afgestaan, werd Suriname het afzetgebied. Dat land hadden de Nederlanders in 1667 van de Engelsen afgenomen. In 1683 werd de Sociëteit van Suriname - een vennootschap voor de exploitatie van de kolonie - opgericht. In Suriname stichtten de ondernemers aanvankelijk vooral rietsuikerplantages op grond die zij van de Sociëteit hadden gekocht. Langs de grote rivieren kwamen plantages, met prachtige en soms romantische namen als ‘Lust en Rust’ of  ‘Mon Désir’.

Afrikaanse slaven op de plantages

Op de suiker-, koffie- en tabaksplantages, de voornaamste bron van inkomsten voor Suriname, was voortdurend behoefte aan arbeidskrachten. De oorspronkelijke bewoners, de indianen, konden nauwelijks als slaven worden ingezet. Er waren er te weinig en zij waren niet geschikt voor zwaar werk. Arbeidskrachten moesten dus elders vandaan komen. In die behoefte kon de WIC voorzien door Afrikaanse slaven naar het Caribische gebied over te brengen.

Van honderden naar tienduizenden

Aanvankelijk ging het daarbij niet om enorme aantallen. Het aantal plantages en daarmee het aantal eigenaren en slaven groeide echter gestaag. Tussen 1680 en 1780 steeg het aantal plantages van 200 tot 591 en het aantal slaven van 2.800 tot 53.000. Dat aantal slaven zou ongeveer constant blijven tot het begin van de negentiende eeuw.

Ontvluchtingen

Altijd waren er beduidend meer slaven dan grondbezitters en andere burgers op de plantages. Het zware werk en de slechte hygiëne eisten hun tol, zodat veel slaven een slechte gezondheid hadden en overleden. Daardoor bleef het nodig nieuwe slaven aan te voeren. Naarmate er meer slaven in de kolonie kwamen werd het lastiger hen onder de duim te houden en te bewaken. De eigenaren waren weliswaar beter bewapend en georganiseerd dan de slaven en de indianen, maar vanaf het begin waren er opstanden of andere ongeregeldheden.
Door de slechte omstandigheden besloten slaven gewoon weg te lopen van de plantages. Zo’n vluchtpoging van een plantage was niet moeilijk, want er was onvoldoende bewaking om dat te verhinderen. Het tropische en ondoordringbare oerwoud dat de plantages omringde moest het weglopen ontmoedigen en bemoeilijken. Toch slaagden slaven erin zich in het oerwoud te vestigen in kleine gemeenschappen.

Bosnegers

Deze weggelopen slaven, die de blanken marrons noemden, maar die zichzelf als Bosnegers aanduidden, konden uiteraard niet alles wat zij nodig hadden in het bos vinden. Daarom moesten ze metalen voorwerpen, wapens en kruit en dergelijke zien te bemachtigen op de plantages. Die werden dan ook regelmatig overvallen. Beroemde aanvoerders zoals Boni, Baron en Joli Coeur veroorzaakten in de tweede helft van de achttiende eeuw met hun rooftochten ernstige paniek op de plantages.

Antillen

Ook op de Nederlandse Antillen werden –zij het veel minder– Afrikanen als slaven aangevoerd. Daar werden ze ingezet bij de zoutwinning en bij de (plantage)landbouw. Het eiland Curaçao functioneerde lange tijd als doorvoerhaven voor Afrikanen die niet naar Suriname, maar naar bestemmingen elders in het Caribische gebied werden gebracht. Naar schatting negentigduizend Afrikanen bereikten het eiland. Nadat ze er weer enigszins waren hersteld van de barre overtocht, werden ze doorverkocht aan Spanjaarden, Portugezen, Engelsen, Fransen, Denen en Amerikanen.
In 1795 kwamen slaven op Curaçao, onder leiding van Tula, in opstand. Zij waren de slechte behandeling zat en eisten hun vrijheid op. De lokale overheden sloegen de opstand neer en Tula werd ter dood veroordeeld. Maar hij bleef voortleven als strijder voor de vrijheid.

Oost-Indië

In Nederlands Oost-Indië werden nauwelijks Afrikanen aangevoerd. De VOC maakte vooral gebruik van (plaatselijk) reeds aanwezige slaven die van de inlandse vorsten werden gekocht. Er was geen noodzaak voor de aanvoer van grote aantallen slaven. Het merendeel van de door de VOC ingekochte producten werd met lokale werkkrachten verbouwd of gefabriceerd.

De Nederlandse betrokkenheid bij de slavenvaart

In totaal zijn zo’n tien miljoen mensen in de periode van 1500 tot 1850 door Europeanen uit Afrika naar de Amerika’s vervoerd. Het Nederlandse aandeel daarin bedraagt ongeveer 5 %. De Nederlandse georganiseerde slavenvaart kan in twee perioden worden onderverdeeld.
Tijdens de eerste periode had de West-Indische Compagnie het monopolie. Dat moest de compagnie door een gebrek aan baten rond 1730 grotendeels opgeven. Uit de bewaard gebleven boekhouding blijkt dat in deze periode ongeveer 273.000 Afrikanen naar Zuid-Amerika zijn overbracht.
De tweede periode is die van het particuliere initiatief, en loopt van 1730 tot 1803. De Middelburgse Commercie Compagnie gold toen als de grootste particuliere slavenhandelaar. Naar men aanneemt zijn ongeveer 257.000 personen in deze periode getransporteerd. Dat brengt het totaal aantal door Nederlandse schepen overgebrachte Afrikanen op ongeveer 550.000 personen.

Smokkel en sterfte onderweg

Bij de cijfers zijn twee kanttekeningen op hun plaats. Tijdens de periode van het WIC-monopolie waren er smokkelaars actief op de Afrikaanse kust. Deze zogenoemde ‘lorredraaiers’ brachten illegaal Afrikaanse slaven over naar Amerika. De aard van deze illegale handel maakt het onmogelijk om het precieze aantal slaven dat werd vervoerd vast te stellen.
Helaas kwamen niet alle slaven levend aan. Tijdens de verschrikkelijke zeereizen zaten de slaven in laadruimen van stinkende schepen gepropt. Ongeveer 460.000 bereikten hun bestemming, wat inhoudt dat 90.000 van hen onderweg, onder de meest erbarmelijke omstandigheden, omkwamen. Het gemiddelde ‘verliescijfer’ door sterfte bedroeg zo’n 16%. Uiteraard was het zo, dat hoe meer slaven levend aankwamen, hoe meer opbrengst dat betekende.
Als een overtocht door tegenslagen langer duurde konden de slavenschepen worden getroffen door een epidemie. Dan verloren de schepen veel meer slaven dan gemiddeld. Ook een groot deel van de bemanning kon dan slachtoffer worden. Aan het eind van de 18de eeuw zeilden de schepen sneller. De kortere overtocht bracht het aantal slaven dat onderweg overleed drastisch omlaag.

Afschaffing van de slavernij

In Groot-Brittannië ontstond eind 18de eeuw protest tegen slavernij en slavenhandel. De Britse abolitionisten (afschaffingsbeweging) slaagde erin om de handel in slaven vanaf 1807 te laten verbieden. De Britten wisten via verdragen ook andere Europese landen te bewegen de handel stop te zetten. Willem I tekende het verdrag namens Nederland in 1814. De uiteindelijke afschaffing van de slavernij kende nog een lange geschiedenis. Denemarken deed het in 1803, Groot-Brittannië in 1834, Frankrijk in 1848, Nederland in 1863, de Verenigde Staten in 1865 (na afloop van de burgeroorlog), Portugal in 1869, Spanje in 1886 en Brazilië in 1888. De fascinerende documentaire over de slavernij die in het najaar van 2011 werd uitgezonden toonde een duidelijk verschil tussen de nakomelingen van de slaven in Suriname zelf en in Nederland. In Suriname viert men op 1 juli de afschaffing, in Nederland herdenkt men die.
In Rotterdam is in juni 2013 een Slavernijmonument onthuld, honderdvijftig jaar na 1863. Vanaf de plaats waar dat monument staat vertrokken vroeger schepen die slaven vervoerden.

Huidige slavernij

Slavernij is overigens nooit echt verdwenen; de handel ging in de 20ste eeuw illegaal nog decennia door. Ook vandaag nog worden, vooral in de derdewereldlanden, mensen in feitelijke slavernij gehouden; in deze business gaan er miljarden euro's om. Helaas bestaat ook in West-Europa, zelfs in Nederland, nog een vorm van slavernij en mensenhandel. Die betreft vooral de gedwongen prostitutie van ontvoerde of onder valse voorwendselen naar het Westen gelokte Oost-Europese, Aziatische en Afrikaanse vrouwen.

Literatuur

Links