In 1827 werd een weinig geliefde hoogleraar, Cornelis (Kees) de Waal, betrapt op bordeelbezoek. Goeverneur en andere studenten schreven er spotdichten over, waarbij zij man en paard noemden.

Daar  was  een  zeker  Prefessoor,
Vel  zal  ik  hem  maar  heten (…)
Vel  is  de  beste  broeder  niet,
Hij  knijpt   de  kat  in  ’t  duister. (…)
En liep  in  slechte  huizen  rond,
En  koelde  daar  zijn  lusten.

De Senaat strafte Goeverneur met veertien dagen kerkerstraf. Daar stelde hij De  Keesiade  samen uit citaten uit de wereldpoëzie. Ook daarin wordt het verhaal van de overspelige professor verhaald. Pas in 1878 werd dit werk gedrukt, vóór die tijd werd het door overschrijven onder de Groningse studenten verspreid. De Koninklijke Bibliotheek bewaart een (incompleet) afschrift. (sign. 1350 A 80). In 1996 verscheen een integrale herdruk van de spotdichten en van de Keesiade,  voorzien van een uitleg over deze zaak. (sign. 2135033)