Prikkebeen werd ongekend populair en beleefde vele herdrukken. Er verschenen vertalingen in het Gronings, het Fries, het Bildts en het Drents, een uitgave in Esperanto en Goeverneurs bewerking werd op zijn beurt weer in het Frans vertaald. De vlindervangende figuur Prikkebeen, op de vlucht voor zijn zuster Ursula, is in ons nationale geheugen blijven hangen. Daarvan getuigen Meester Prikkebeen van Boudewijn de Groot en Dag vader en dag moeder, dag zuster Ursula door Rob de Nijs, beide op tekst van Lennart Nijgh. Prikkebeen wordt wel eens beschouwd als het eerste Nederlandse stripverhaal, maar dan laat men de centsprenten buiten beschouwing. Naast alle succes en lof is er ook kritiek op Goeverneurs Prikkebeen. Zo schrijft de rooms-katholieke J.J. Doodkorte in 1922 (in Jeugd en lectuur) ‘Weg met ’n verhaal als de bekende “Lotgevallen van mijnheer Prikkebeen,” waarin de hoofdpersonen met ’t grootste gemak van christen muzelman worden.” Serieuze kritiek levert Jan Blokker (in Het eeuwige examen uit 1977), die Goeverneur verwijt dat hij het oorspronkelijke werk van Töpffer waarschijnlijk nooit heeft geraadpleegd en genoegen heeft genomen met het verbasterde verhaal van Julius Kell.