Dit dossier is bijgewerkt tot 3 december 2011

Op 23 mei 1707 werd in het Zweedse Råshult de domineeszoon Karl von Linné (Carolus Linnaeus) geboren. Karl trad niet in vaders voetsporen, maar ging medicijnen studeren, eerst in Lund, later in Uppsala. In die tijd was botanie nog integraal onderdeel van de studie geneeskunde. Daarom trok Linnaeus op een van zijn studiereizen naar Lapland om de flora daar te beschrijven. Een bekend schilderij toont Linnaeus in Laplands kostuum, compleet met tovertrommel, Linnaeusklokje en een stapel boeken van zijn hand onder de elleboog. Dat onderzoek vormde mede de grondslag voor Linnaeus’ later beroemd geworden plantensystematiek.

Tweeledige naamgeving

Met het onderbrengen van planten in classificatiesystemen waren wetenschappers allang bezig. Alleen hield bijna iedereen zich aan z’n eigen systeem en benamingen, zodat een grote spraakverwarring eenduidige plantenreferenties in de weg stond. Een belangrijke stap vooruit in deze had de Engelsman John Ray gezet door het begrip ‘soort’ te definiëren als planten of dieren die zich onderling konden voortplanten. Het sekse-systeem van Linnaeus ging een stapje verder en was gebaseerd op de voortplantingsorganen van planten, zoals stampers en meeldraden. Daarbij introduceerde hij de binominale naamgeving waarbij iedere plant een tweeledige naam kreeg: geslacht plus soort. Dit bleek zo’n deugdelijk ordeningsprincipe te zijn, dat het gangbaar werd om planten (en ook dieren) te klasseren en te benoemen.
Tegenwoordig zijn er door de resultaten van DNA-onderzoek geregeld kleine aanpassingen in de groepen waar planten toe behoren. Bijvoorbeeld de peer en cannabis behoren nu tot dezelfde familie als de roos en de brandnetel, maar in essentie voldoet het systeem van Linnaeus nog.

Promotie in Harderwijk

Het was in de vroege achttiende eeuw onmogelijk om in Zweden een doctorsgraad te verwerven, zodat Linnaeus noodgedwongen in juni 1735 met zijn manuscripten vertrok naar Nederland. Via Amsterdam, waar hij Johannes Burman - een geneesheer in de Hortus Botanicus - en Albertus Seba ontmoette, reisde Linnaeus af naar Harderwijk, waar een promotie eenvoudig te regelen viel. Zijn al in Zweden geschreven proefschrift over malaria voldeed blijkbaar aan de gestelde eisen, want binnen korte tijd was het werkje gedrukt en verkreeg Linnaeus de doctorstitel.

Belangrijke Nederlandse contacten

Linnaeus ging naar Leiden waar hij Herman Boerhaave ontmoette - een medicus die zo beroemd was dat brieven geadresseerd aan “De heer Boerhaave, Europa” altijd aankwamen - en botanicus Johan Frederik Gronovius. Deze laatste was zeer onder de indruk van Linnaeus’ manuscript van Systema naturae. Hij liet het deels op zijn kosten drukken en ook andere manuscripten van Linnaeus gereedmaken voor de pers. Tevens besprak Gronovius het werk van Linnaeus in zijn uitgebreide correspondentie met andere geleerden. Mede daardoor kreeg Linnaeus internationale bekendheid. Vanwege geldproblemen wilde Linnaeus terugreizen naar Zweden. Boerhaave en Gronovius vroegen hem om in ieder geval nog bij Burman langs te gaan. Deze wist Linnaeus over te halen voor hem te werken aan een flora over plantensoorten op Ceylon (Sri Lanka).

De Hartenkamp

Die samenwerking was van korte duur. Linnaeus ontmoette namelijk de rijke koopman en bankier George Clifford. Deze nam hem in dienst om de tuin van zijn landgoed De Hartekamp (gelegen tussen Heemstede en Bennebroek) te beheren. De tuin bevatte niet alleen een grote collectie exotische gewassen, maar ook een halve dierentuin met tijgers en apen. Van september 1735 tot oktober 1737 werkte Linnaeus in De Hartenkamp onder andere aan een catalogus van de collectie, het herbarium en de bibliotheek. Hij kreeg de vrijheid om naar believen boeken en planten aan te schaffen die nog ontbraken in de collectie en had ook alle tijd om te werken aan zijn manuscripten.

Bananen in bloei

Veel van Linnaeus’ werk is uitgegeven in de tijd dat hij in Nederland woonde en werkte, zoals zijn Flora Lapponica met de resultaten van zijn Laplandreis. Een van Linnaeus’ meest opzienbarende prestaties was het in bloei krijgen van een bananenplant. Dat was nog niemand in Nederland gelukt. Linnaeus kreeg dit staaltje van kweekkunst voor elkaar door de plant een paar weken geen water te geven. Daarna in korte tijd juist heel veel, niet alleen op de aarde, maar ook door met een douche het effect van tropische regenbuien na te bootsen. Dat had succes. Hij beschreef deze bijzondere botanische prestatie in een apart boekje, Musa Cliffortiana florens Hartecampi 1736. Ook op de gegraveerde titelpagina van de plantencatalogus die Linnaeus voor Clifford maakte komt de bloeiende bananenplant voor.

Terugkeer naar Zweden

In 1738 keerde Linnaeus voorgoed terug naar Zweden om daar, na een wat minder succesvolle periode als arts in Stockholm, in 1741 hoogleraar botanie te worden in Uppsala. Hij bleef corresponderen met zijn Nederlandse weldoeners en vrienden en zich bezighouden met het verfijnen en uitbreiden van zijn plantensystematiek. Het reizen naar verre landen liet hij over aan zijn studenten. Linnaeus stierf in januari 1778, waarna zijn zoon Karl het werk voortzette. Deze overleed vijf jaar later. De weduwe Linnaeus verkocht de boeken, manuscripten en specimina aan Sir James Edward Smith. Na diens dood in 1828, werd de gehele collectie ondergebracht bij de Linnean Society of London.

De KB bezit vele van Linnaeus’ werken, ook een aantal achttiende-eeuwse die nog tijdens zijn leven zijn verschenen. Alle boeken zijn via de catalogus en via de STCN te vinden.

Literatuur

Links