Dit dossier is bijgewerkt tot 21 januari 2008.
"Verdorven was elk onderdeel en toch een paradijs ’t geheel"
Maandag 21 januari 2008 is het 275 jaar geleden dat een van de belangrijkste Nederlandse filosofen, de arts en psychiater Bernard Mandeville, in Londen stierf. Overal kent men hem als invloedrijk ‘ Engels’ schrijver, maar in Nederland, waar hij geboren is en getogen, wist bijna niemand tot voor kort wie hij was. Naar aanleiding van de vondst in 2005 van twee onbekende Nederlandse gedichten van zijn hand, is er in 2006 een project gestart om hem in Nederland onder de aandacht te brengen.
Bernard Mandeville werd 15 november 1670 in Rotterdam geboren als zoon van de stadsgeneesheer Michael de Mandeville en zijn vrouw Judith Verhaar. Hij doorliep de Erasmiaanse School in Rotterdam, waar hij werd gevormd door de klassieken en het Nederlands humanisme. In Leiden studeerde hij natuurkunde. Hij promoveerde in dit vak onder leiding van Burchard de Volder in 1689. Tussendoor verdiepte hij zich in de anatomie en verscheidene onderdelen van de natuurkunde bij zijn vader en diens collega’s te Rotterdam. In 1691 promoveerde hij in de geneeskunde bij Wolferd Senguerd.
Mandeville zou in Nederland in het voetspoor zijn getreden van zijn vader en grootvader, als hij niet betrokken was geweest bij het Costerman-oproer (6 oktober 1690). Daags voor dat oproer, werd in Rotterdam een pamflet aangeplakt met een hekeldicht van Mandeville tegen de corrupte en gehate baljuw Jacob Van Zuylen van Nyeveld. Het was getiteld: Schijnheilig Atheïst. Toen het politieke tij na drie jaar keerde en zijn vader gesommeerd werd de stad te verlaten, ging Bernard met hem mee. Hij reisde naar Engeland om de taal te leren, maar bleef er omdat het hem daar beviel. Hij vestigde zich in 1693 in Londen als arts, waar hij zich verder specialiseerde in psychosomatische aandoeningen. In 1698 trouwde hij met Ruth Elizabeth Laurence en kreeg twee kinderen met haar. Zijn verdere leven zou hij in Engeland blijven. Maar hij behield de Nederlandse nationaliteit en bleef op de hoogte van de ontwikkelingen op het vasteland van Europa. Hij las veel Franse en Nederlandse boeken en voerde in zijn betogen Holland vaak als maatstaf op, bijvoorbeeld op het gebied van gelijkheid van man en vrouw.
Mandeville was geobsedeerd door de feitelijke ongelijkheid tussen de seksen en de hypocrisie die deze in stand houdt. In The Virgin Unmask’d(1709), zocht hij de oorzaken van de ongelijkheid in de gangbare seksuele en huwelijkse moraal. Het huwelijk is een remedie tegen wellust. Voor velen dreigt al snel na de trouwpartij frustratie. Dit geldt zeker voor mannen, wier lust groter is dan die van de vrouwen. Is de getrouwde vrouw, die geacht wordt thuis te blijven om op het huis en de kinderen te passen, niet de slaaf van haar man? Zij kan niet zo gemakkelijk andere contacten leggen en zich ontwikkelen. Mandeville heeft zijn Modest Defense of Publick Stews (1724) opgedragen aan de Society for the Reformation of Manners, het gezelschap dat de Engelse bordelen wilde sluiten. Hij meent dat prostitutie noodzakelijk is om de wellust in rustige banen te leiden. Aan prostitutie kleven vele nadelen: het kan ziekten overbrengen, bastaardkinderen veroorzaken, etc. Prostituees plegen misdaden omdat zij alom worden geminacht. Ze staan zo laag op de maatschappelijke ladder, dat de grens tussen prostitutie en delinquentie niet scherp is. Al deze nadelen kleven echter vooral aan clandestiene en slecht geregelde prostitutie, meende Mandeville. Daarom bepleitte hij een van regeringswege opgezet en gecontroleerd systeem van openbare bordelen, waarin prostituees een status krijgen van erkende courtisane. Als gerespecteerd beroep.
Mandeville’s bekendste werk is evenwel The Fable of the Bees. Aan dit boek heeft hij tot kort voor zijn dood gewerkt. Het begon in 1705 met de publicatie van het gedicht The Grumbling Hive, or Knaves turn’d Honest (1705). Dit gaat over een welvarende samenleving, voorgesteld als een morrende (= zoemende) korf bijen, waarin als bij toverslag, door een goddelijke ingreep, iedereen plotseling eerlijk wordt. Hierdoor krimpt de samenleving in tot een armzalige bijenzwerm die in de beschutting van een holle boom karig moet leven van wat alleen de natuur te bieden heeft. Negen jaar later publiceerde Mandeville het gedicht opnieuw, vergezeld van opmerkingen en essay over de oorsprong van de deugd, onder de titel The Fable of the Bees or Private Vices, Publick Benefits (1714). In 1723, bij de tweede editie van The Fable, voegde hij twee essays toe , één over de aard van de samenleving en één met kritiek op menslievendheid en armenscholen. In 1729 leek The Fable eindelijk voltooid, toen het tweede deel verscheen. Maar in 1732 publiceerde Mandeville An Enquiry into the Origin of Honour, een voortzetting van het tweede deel.
Bij de uitgave van The Fable in 1723 brak er een storm van protest los. Want het Essay on Charity and Charity-Schools maakte de weldoeners wakker, die begrepen dat The Fable of the Bees op hen sloeg. Mandeville klaagt de moralisten aan omdat ze de mensheid willen verbeteren. Een maatschappij draait niet op deugd of menslievendheid. Integendeel: het eigenbelang van haar inwoners is de drijvende kracht, want ondeugden als hebzucht, eigenliefde, hang naar weelde, etc. zorgen voor productie en werk. Geld moet rollen en matigheid betekent dood in de pot.
Een regering moet meer reguleren dan opleggen, wil ze succesvol zijn. Maar er zijn grenzen waarin eigenbelang te zeer ten koste gaat van de maatschappij. Voor die gevallen moet een regering een wetgeving opstellen waarin redelijke grenzen worden gesteld aan individualistisch streven. En die wetten moeten streng gehandhaafd worden. Mandeville verwierp contracttheorieën zoals die van Hobbes. Een regering kan zich alleen handhaven zolang zij de macht heeft.
Op grond van zijn inzicht in het welbegrepen eigenbelang pleitte Mandeville voor vrije handel. In de achttiende eeuw vormde dit pleidooi een belangrijk argument voor de Engelse regering om luxe goederen te produceren en geen handelsrestricties op te leggen. Dit inzicht heeft degene die bekend staat als de vader van het liberalisme, Adam Smith (1723-1779), ter harte genomen.
De ware betekenis van Mandeville ligt echter niet in het inzicht van eigenbelang en ook niet in zijn kritiek op de hypocrisie van weldoeners en moraalridders. Het mag zijn dat weldoeners alleen hun ijdelheid willen strelen, ijdelheid is een kwestie van eigenbelang en dat juicht Mandeville juist toe. De filosoof F.A. Hayek wijst erop dat de belangrijkste bijdrage van Mandeville in zijn bijvoegsels op The Fable gezocht moet worden. In zijn voorwoord bij de uitgave van The Fable in 1723 vergelijkt Mandeville een bloeiende samenleving met een levend lichaam. Als je de anatomie van een dode bestudeert, zie je dat de belangrijkste organen niet de harde botten, sterke spieren en blanke huid zijn, maar de onbeduidende vliesjes en buisjes die voor het gewone oog onaanzienlijk lijken. Hun werkzaamheid is een vies gedoe dat afval met zich mee brengt dat we liever niet zien. Maar juist dit gedoe houdt het lichaam in stand, en laat het werken zoals het behoort te doen. In passages als deze verwoordt Mandeville zijn inzicht dat de orde van de samenleving en de cultuur voortkomen uit inspanningen van individuen die, al strevend, dat doel niet op het oog hadden. Zijn aandacht verschuift van het eigenbelang als enige stimulans, naar de oorsprong en betekenis van gedragsregels en instituties die deze strevingen in banen leiden. Want mensen laten zich in hun streven door regels leiden, zonder de oorsprong en het nut ervan te kennen. Bijvoorbeeld in de manieren van praten, schrijven, ordenen. Deze regels zijn onstaan in de eeuwenlange inspanningen van mensen. In de uitwerking van deze stelling ontwikkelde Mandeville volgens Hayek voor de eerste keer “ alle klassieke paradigma’s van de spontane groei van ordelijke sociale structuren”. Hierin werd hij een belangrijke grondlegger van de sociale wetenschappen.
Vanaf de verschijning van de editie 1723 van Fable of the Bees was Mandeville een boeman geworden. Toch hadden velen het boek op de plank staan in de veronderstelling dat het een verdorven boek was. Degenen die hem lazen troffen een criticus die in fraaie taal liet zien hoe we ons onder de korst van de beschaving laten leiden door motieven en regels waar we geen weet van hebben. In zijn analyses van het menselijk gedrag zien we de psychiater het toen nog onbekende terrein van psychosomatische ziekten verkennen. Veel van zijn diagnoses en remedies zijn nog altijd actueel. Maar in het bevroeden van het complexe begrip van de groei van spontane sociale structuren en in de uitwerking daarvan, werd de grondslag werd gelegd voor de latere sociale wetenschappen. Zoiets kan alleen een ‘Meesterbrein’ (Hayek).
Enige werken van Mandeville
- Schijnheylig Atheist (1690) en Schijnheyl’ge Nievelt (1690) (Toegeschreven aan Mandeville)
- The Grumbling Hive, or Knaves turn’d Honest (1705)
- Versoek-Schrift en Dankzegginge voor ’t Genotenen (1708) Twee Nederlandse gedichten van Bernard Mandeville aan zijn vriend Thijs. Deze zijn door Arne C. Jansen in Leiden ontdekt. Zie www.bernard-mandeville.nl/index_bestanden/Thijs.htm
- The Virgin Unmask’d (1709)
- The Fable of the Bees, or Private Vices, Publick Benefits (1714), bevattende: The Grumbling Hive, or Knaves turn’d Honest (1705) An Enquiry into the Origin of Moral Virtue (1714) 20 Remarks
- Freethoughts on Religion, the Church and National Happiness (London, 1720).
- The Fable of the Bees, or Private Vices, Publick Benefits, Part I (1723), bevattende: The Fable of the Bees, or Private Vices, Publick Benefits (versie 1714); 22 Remarks; An essay on charity and charity-schools (1723); A search into the nature of society (1723)
- The Fable of the Bees, or Private Vices, Publick Benefits, Part II (1723), bevattende: A Vindication of the Book from the aspersions contain'd in a presentment of the Grand-Jury of Middlesex, and abusive Letter to Lord C (1723)
- A Modest Defence of Publick Stews (1724);
- The Fable of the Bees, Part II (1729)
- A Treatise of the Hypochondriack and Hysterick Diseases, in Three Dialogues, Second edition, Corrected and Enlarged (1730; eindversie)
- An Enquiry into the Origin of Honour and the Usefulness of Christianity in War (London, 1732) (Voortzetting van The fable of the Bees, Part II, 1729).
Nederlandse vertalingen
- Onpartydige gedachten over de godsdienst, de kerk, en des volks geluk / Vertaald uit het Engelsch van de Heer B: M - T'Amsterdam, 1723.
- Fabel van de bijen : particuliere zonden, algemeen profijt / Bernard Mandeville ; vert. [uit het Engels] door Jean Schalekamp ; dichtregels [vert. uit het Engels] door Jan Eijkelboom, Weesp : Heureka, 1985.
- Bernard Mandeville Verzameld Werk - Rotterdam : Lemniscaat, 2006 I: De wereld gaat aan deugd ten onder; vert. [uit het Engels] en toegelicht door Arne C. Jansen , 2006. II: Mensen spreken niet om begrepen te worden; vert. [uit het Engels] en toegelicht door Arne C. Jansen ; met een narede door F.A. Hayek, 2007
Links
- www.bernard-mandeville.nl
- Arne C. Jansen. Mandeville. In: poortman.kb.nl.
- De door Arne Jansen ontdekte gedichten