Dit dossier is bijgewerkt tot 13 maart 2006.

“Van de doden niets dan goeds”, pleegt men te zeggen wanneer iemand met een niet vlekkeloze reputatie overlijdt. Over minpunten van een dode hoort men niet te spreken. De nabestaanden van de duizenden vermoorde mannen en jongens uit Srebrenica, zal dat waarschijnlijk niet lukken. Ook aanklager Carla del Ponte van het Joegoslavië-tribunaal kiest haar woorden zorgvuldig wanneer ze het over Slobodan Milosevic heeft. Zijn trouwe aanhangers in het verarmde en verbitterde deel van het voormalige arbeiders- en vakantieparadijs Joegoslavië willen op hun beurt weer niets weten van alle ‘vuige aantijgingen’ die de reputatie van hun voorman en held kunnen bezoedelen. In de beste Stalinistische traditie spreken ze al over het complot dat heeft geleid tot zijn ‘niet natuurlijke dood’. “De man is vergiftigd”, ze weten het zeker.
Zo is Slobodan Milosevic, overleden op 11 maart 2006 in een cel van het Joegoslavië-tribunaal te Scheveningen, na zijn dood even omstreden als ervoor.

In 1986, zes jaar na de dood van maarschalk Tito (eigenlijk Josip Broz), architect en sterke man van het na-oorlogse Joegoslavië, komt Slobodan Milosevic aan de macht als partijchef van Servië. De kleurloze apparatsjik heeft er dan al een lange mars door de instituties van de communistische machtsorganen op zitten. Tito heeft geen opvolger aangewezen. Zijn met veel onderdrukking en macht bijeengehouden conglomeraat van Balkan-volken wordt na zijn dood met moeite bijeengehouden door wisselende presidentiele vertegenwoordigers van de belangrijkste etnische groepen. Steeds duidelijker wordt dat Kroaten, Macedoniërs, Bosniërs, Montenegrijnen, Slovenen, Vojvodijnen en Kosovo-Albanezen, in de ogen van de Serviër Milosevic niet als gelijkwaardige broeders moeten worden gezien. Hij verdenkt ze van arrogantie, machtshonger, genocide op Serviërs en vooral van het bevoordelen van de eigen bevolkingsgroep.

Hij ziet al zijn vooroordelen en machtsaspiraties bevestigd wanneer hij in april 1986, in zijn nieuwe hoedanigheid als partijchef van Servië, een bezoek brengt aan Kosovo. Die streek wordt gedomineerd door de Albanese bevolkingsgroep en de Servische minderheid voelt zich daardoor bedreigd. In Kosovo hebben de Serviërs in 1389 tevergeefs geprobeerd om de Islamitisch-Turkse opmars naar de rest van Europa te stuiten. Tijdens de in de Balkan beroemde slag op het Merelveld, wordt de Servische Prins Lazar gedood. Daarmee is Kosovo onbedoeld ‘heilige grond’ geworden voor de Servische nationalisten. Het moet ten koste van alles worden verdedigd tegen de Albanezen. De televisiebeelden van het bezoek tonen een schichtige Milosevic, die in een massabijeenkomst van woedende Serviërs roept dat hij niet zal toestaan dat zijn volk door Albanezen wordt geslagen. Het blijkt een uitspraak te zijn die Milosovic in één klap tot een strijdbare Servische nationalist maakt, een positie die hij nooit meer zal opgeven. Het lijkt wel of er in heel Joegoslavië een nationalistische hysterie ontstaat. De Serviërs nemen het initiatief maar worden spoedig gevolgd door Kroaten, Slovenen, Bosniërs en Macedoniërs. Iedere deelrepubliek lijkt achter het eigen nationalistische vaandel aan te willen lopen. Het Kosovo-incident is daarmee het begin van het einde van de Joegoslavische Federatieve Republiek.

Als eersten maken de Slovenen zich in 1991 los van de federatie. Milosevic, die inmiddels president is geworden van Servië en de helft van het collectieve staatspresidium bezet, stuurt het leger met tanks naar Slovenië om de afscheiding ongedaan te maken. De tanks moeten echter door Kroatië om hun doel te bereiken. Dat is voor Kroatië het moment om zich ook uit de federatieve republiek los te maken. De rest is geschiedenis. Joegoslavië komt in een bloedige burgeroorlog terecht, met de gebeurtenissen in Vukovar, Sarajevo en Srebrenica als treurige dieptepunten. Het is een burgeroorlog die slechts dankzij de inzet van de internationale gemeenschap kan worden gestopt. De Verenigde Naties richten in 1993 een internationaal Joegoslavië-tribunaal op met het doel om de plegers van talloze oorlogsmisdaden te berechten. Aanvankelijk kunnen slechts een paar plegers van ‘kleinere’ oorlogsmisdaden voor de rechters worden gebracht. De ‘grote vissen’, de machthebbers en legeraanvoerders lijken de dans te ontspringen.

Dat verandert wanneer in 2001 verkiezingen worden gehouden in Servië en er een einde komt aan de machtpositie van Slobodan Milosevic. Pas na een volksopstand geeft hij de macht definitief op. De nieuwe Servische machthebbers leveren hem uit aan Den Haag, na talloze dreigingen met economische sancties door de internationale gemeenschap. Milosevic, die voor vele slachtoffers van de burgeroorlog de verpersoonlijking van het kwaad is, verschijnt op 3 juli 2001 voor zijn rechters. Hij is nog even strijdbaar als in de dagen van het Kosovo-incident. “I consider this tribunal a false tribunal and the indictment a false indictment'', zegt hij. Daarmee is de toon gezet. Hij weigert zich te laten bijstaan door een advocaat en voert voorzover hij daartoe in staat is zijn eigen verdediging. Milosevic heeft echter een slechte gezondheid, waardoor het proces regelmatig moet worden onderbroken. Ook de ingewikkeldheid van de materie en de juridische bewijsvoering draagt bij aan de trage rechtsgang.

De plotselinge dood van Milosevic maakt een einde aan het langdurige proces. De rechtsgang is daarmee gestopt maar de speculaties over zijn veronderstelde betrokkenheid bij een van de grootste misdrijven van de moderne geschiedenis en zijn plotselinge dood zullen nog wel enige tijd aanhouden.