Dit dossier is bijgewerkt tot 26 juli 2007.

Harry Mulisch 80 jaar

Harry Kurt Victor Mulisch is geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zijn ouders waren redelijk tot goed ingeburgerde vluchtelingen, maar hun huwelijk was niet goed. Enkele jaren na de geboorte van de kleine Harry – die opgroeide zonder broertjes of zusjes – gingen zij uit elkaar. Harry’s moeder emigreerde naar Amerika, waar zij pas vrij onlangs op hoge leeftijd overleed. Harry bleef bij zijn vader in Haarlem wonen, samen met huishoudster Frieda, die voor Mulisch erg belangrijk was (later vernoemde Mulisch zijn dochter naar haar).

De Tweede Wereldoorlog was van beslissende invloed op Mulisch’ leven en schrijverschap. De periode speelde zich af tijdens cruciale jaren in het leven van een jongeman, nl. tussen zijn dertiende en zijn achttiende jaar. Befaamd is zijn uitspraak: “Ik bén de Tweede Wereldoorlog”, die onder andere zijn oorsprong vindt in het feit dat zijn moeder een jodin was en zijn Duitstalige vader een collaborateur. Duits is ook Mulisch’ tweede taal, en de schrijver is sterk gericht op Duitsland en de Duitse geschiedenis en cultuur. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Mulisch een grote hekel aan de Duitse bezetter, wat hij onder meer tot uitdrukking bracht door een tijdlang zijn eigen, natuurlijk sterk Duitsklinkende naam op z’n Engels te schrijven: Mulish.

Vanaf het eind van de jaren ’40 publiceerde Mulisch talrijke verhalen en toneelrecensies in dag- en weekbladen en in literaire tijdschriften. Zijn debuut uit 1952, het verhaal Tussen hamer en aambeeld, verwierp hij later, maar hij maakte kort daarop grote indruk met het ‘onhollandse’ boek archibald strohalm. Daarna volgden succesvolle titels elkaar in hoog tempo op. Het zwarte licht uit 1956, De versierde mens (1957), Het stenen bruidsbed (1959) en Voer voor psychologen uit 1960.

Mulisch verhuisde medio jaren ’50 naar Amsterdam. Hij verkeerde in schrijverskringen en manifesteerde zich als society-figuur. Overigens liet hij zich ook in met maatschappelijke ontwikkelingen. Zo versloeg hij het proces tegen de nazi Adolf Eichmann in Jeruzalem voor het weekblad Elsevier, wat resulteerde in het indrukwekkende boek De zaak 40/61. Hij raakte geïmponeerd door de Cubaanse revolutie van 1959, waarover hij zijn boek Het woord bij de daad schreef. En Bericht aan de rattenkoning verhaalde over de roerige gebeurtenissen in de zomer van 1966 in Amsterdam. Met name het standpunt inzake Cuba wordt Mulisch kwalijk genomen. Critici menen dat Mulisch uitdrukkelijk afstand had moeten nemen van Fidel Castro en de Cubaanse revolutie, toen die verwerden tot een statisch en totalitair systeem. Hijzelf zei eens dat hij op de Cubaanse tijd terugkeek zoals hij dacht aan een aanbeden geliefde van vroeger. De liefde is over, maar je koestert nog altijd genegenheid voor de warme gevoelens van weleer.

Al vanaf het begin van zijn openbare optreden heeft Mulisch ergernis gewekt door zijn uitgesproken zelfverzekerde, zelfbewuste en zelfs arrogante houding. Velen laten zich hierdoor dermate het zicht op de schrijver ontnemen, dat voor enige waardering van zijn geschriften op voorhand geen ruimte meer is. Hijzelf merkte hierover op: “De mensen ergeren zich aan mijn arrogantie, doordat ze zelf een superioriteitscomplex hebben, dat ze voor zichzelf verbergen, zodat ze het mij kwalijk kunnen nemen.” Anderzijds doet Mulisch ook niets om het wie dan ook in dit opzicht naar de zin te maken, behalve zichzelf. Daar komt bij dat de successen elkaar onverminderd bleven opvolgen, ook internationaal, wat natuurlijk de beste manier is om critici de mond te snoeren.

Echt onaantastbaar populair werd Mulisch na de publicatie van De Aanslag (1982). Dit boek, dat op zo onnadrukkelijke wijze het  pregnante verhaal vertelt over Anton Steenwijk vanaf de Hongerwinter tot aan de grote vredesdemonstratie in 1981, beleefde een nationale en internationale zegetocht zonder weerga. De Aanslag werd herdrukt, vertaald en verfilmd en de verfilming werd bekroond met een Oscar. In 1992, het jaar waarin hij 65 werd, verscheen ten slotte Mulisch’ magnum opus: De ontdekking van de hemel. Ook dit boek is een succes geworden met bijna mythische proporties. Nog onlangs werd het verkozen tot het beste Nederlandse boek aller tijden. Treffend kwalificeerde NRC-journalist Pieter Steinz de reactie van Mulisch op deze uitverkiezing als  ‘gepast onbescheiden’. Dit geldt, gezien de vele successen, in grote lijnen voor heel Mulisch' carrière. Want ook andere onderscheidingen zijn talrijk: P.C. Hooftprijs, Grote Prijs der Nederlandse letteren, Koninklijke onderscheiding, ere-doctoraat … er is zelfs een planetoïde naar Mulisch genoemd. Niettemin is het toch opvallend hoe ver de cultus der bewieroking gaat rondom de persoon en schrijver Mulisch, maar het is ook te begrijpen dat die uitgesproken reacties oproept.

Los van deze cultus is Harry Mulisch een van de meest productieve, originele en veelzijdige schrijvers die Nederland heeft voortgebracht.

Zie ook: www.mulisch.nl