Dit dossier is bijgewerkt tot 31 oktober 2003
350 jaar verdediging van Nederlandse belangen
Inleiding
Nederland heeft internationaal een goede naam als voorvechter van de internationale rechtsorde. Ons land geeft invulling aan zijn idealen door een actieve opstelling in de Verenigde Naties. Met grote regelmaat levert Nederland een bijdrage aan vredesmissies. Onbaatzuchtigheid en betrokkenheid lijken de sleutelbegrippen van de Nederlandse opstelling binnen de internationale gemeenschap. De Nederlandse natie beschouwt haar inspanningen op dit gebied als een roeping. Een roeping die haar eerste schuchtere formulering kreeg in de publicaties van Hugo de Groot. Het is interessant na te gaan hoe, in navolging van De Groot, andere vooraanstaande intellectuelen en staatslieden dachten over de manieren waarop de Nederlandse belangen het beste konden worden behartigd. In dit stuk zullen achtereenvolgends Hugo de Groot, Pieter de la Court, Simon van Slingelandt, een groep Amsterdamse kooplieden, Johan Thorbecke, de generaals Van Swieten en Van Heutsz, Cornelis van Vollenhoven, Pieter Geyl en Benjamin Telders de revue passeren. Al deze personen hebben grote invloed gehad op het politieke debat van hun tijd. Aan de hand van sleutelteksten uit hun oeuvre valt na te gaan wat zij als nationaal belang beschouwden. Hun opvattingen ten aanzien van het gebruik van geweld als middel voor het vestigen en beschermen van nationale belangen krijgen de nadruk.
De belangen van de Republiek der Zeven Provinciën
Een land dat zichzelf karakteriseert als handelsnatie heeft belang bij controle over economische invloedssferen. Aan het begin van de 17e eeuw, gedurende de opstand tegen Spanje, kreeg de jonge Republiek der Zeven Provinciën de mogelijkheid om als onafhankelijke natie economische controle over gebieden te vestigen. Spanje had voor zichzelf het alleenrecht van de vaart op Azië opgeëist en zette alle middelen in om Hollandse kooplieden de handel te beletten. De VOC sloeg terug en verdreef de Spanjaarden en Portugezen uit de Indische archipel.
Het recht om desnoods door middel van geweld een plaatsje onder de Indische zon te veroveren werd verdedigd door de rechtsgeleerde Hugo de Groot (1583 - 1645) in zijn publicatie Mare liberum (Vrije Zee) in 1609. Hij introduceerde het begrip van de 'rechtvaardige oorlog' en gebruikte dat ter legitimering van het optreden van de VOC tegen de concurrentie. Zijn betoog was geheel in lijn met de belangen van een handelsnatie die bezig was haar invloedssferen te creëren. Nadat de VOC haar positie in de Indische archipel veilig had gesteld, bedreef zij precies de monopoliepolitiek die Hugo de Groot bekritiseerd had. Om de Engelsen van repliek te dienen die protesteerden tegen deze politiek, riep de VOC de hulp van De Groot in. Deze had er geen enkel bezwaar tegen om nu een standpunt te verdedigen dat hij tien jaar daarvoor had aangevallen.
Rond 1670 bereikte de Republiek het toppunt van haar macht. Het land had de positie van de 'balancemakers' binnen het Europese krachtenspel verworven: dreigde het machtsevenwicht verstoord te raken, dan werd dit hersteld wanneer de Republiek haar gewicht in de schaal wierp. Dat betekende wel dat bondgenootschappen soms onaangekondigd verbroken werden, zoals de Zweden aan den lijve ondervonden gedurende de Eerste Noordse Oorlog (1655 - 1660). In 1662 publiceerde Pieter de la Court een boek getiteld Interest van Holland ofte Gronden van Hollands-Welvaren waarin hij deze eigenmachtige omgang met bondgenootschappen verdedigde.
Het Rampjaar 1672 betekende een omslag voor de manier waarop het land zijn nationale belangen kon veilig stellen. Stadhouder-koning Willem III meende dat de hegemoniale aspiraties van Frankrijk onder Lodewijk XIV de grootste bedreiging voor de Republiek vormden. Om Frankrijk in te tomen sloot hij een verbond met Engeland. Eendrachtig beoorloogden beide landen Lodewijk XIV. Aan het wapengeweld kwam pas met de Vrede van Utrecht in 1713 een einde.
Had de Republiek in 1672 haar positie van flexibele balancemaker ingeruild voor het aanvoerderschap van een alliantie, met de vrede van Utrecht verloor zij deze positie.
De teloorgang van de Republiek
Na de Utrechtse vrede was de Republiek financieel uitgeput. Door verwaarlozing van de vloot, moest zij lijdzaam toezien hoe Engeland haar hegemonie op zee overnam. Het enige winstpunt van de vrede was dat de Republiek het recht verkreeg om in de Spaanse Nederlanden een aantal garnizoenen te legeren om zo een buffer te creëren tegen een eventuele Franse aanval.
De alliantie met Engeland bleef bestaan, maar van een eigenmachtige omgang met dit bondgenootschap was geen sprake meer. Raadpensionaris Simon Van Slingelandt (1664 - 1736) meende dat de Republiek zonder Engeland nooit haar grondgebied zou kunnen verdedigen. Toch droeg dit bondgenootschap mede bij aan de ondergang van de Republiek. Eerst leidde het ertoe dat de Republiek in 1743 zeer tegen haar zin bij de Oostenrijkse Successie-oorlog werd betrokken. Dit liep uit op een debacle en bij de Vrede van Aken moest de Republiek accepteren dat zij niet meer tot de kring der grote mogendheden behoorde. Vervolgens hielden de Engelsen zich het recht voor om ten tijde van oorlog schepen op te brengen waarvan zij meenden dat de vervoerde goederen hun vijand van pas zouden kunnen komen. Aangezien Engeland bijna voortdurend in oorlog was, werd de Nederlandse handelsvaart zo goed als onmogelijk. De Amsterdamse kooplieden waren furieus en eisten dat de Staten Generaal iets zou doen. Protesten van de kant van de Republiek haalden echter niets uit. Uiteindelijk liep de situatie uit op een oorlog met de Engelsen. Deze blokkeerden vier jaar lang de kust waardoor de Republiek economisch werd afgeknepen. Toen de Fransen in 1795 binnenvielen troffen zij een diep verdeelde en uitgebluste natie.
Het koninkrijk Nederland binnen Europa en de Indische archipel
Na de val van Napoleon kwam in 1815 het koninkrijk der Nederlanden tot stand, bestaand uit de voormalige Republiek en het huidige België. De Europese grootmachten hadden deze nieuwe staat in het leven geroepen om ten noorden van Frankrijk een sterke buffer te hebben. De Nederlandse belangen leken daarmee tevens Europese belangen geworden. De Belgische Opstand (1830) maakte een einde aan deze vereniging. Onvrede over de Belgische eisen leidde tot de Tiendaagse Veldtocht.
Johan Thorbecke (1798 - 1872) analyseerde naar aanleiding van de opstand de positie van Nederland binnen Europa. Tevergeefs poogde hij het Nederlandse belang aan het Europese belang te knopen om zo de Europese mogendheden tot een ingrijpen te verleiden.
Na de afscheiding van België beperkte Nederland zich in Europees verband tot een politiek van strikte onzijdigheid. Het ontbeerde de middelen om binnen Europa met geweld de situatie naar zijn hand te zetten. In de Indische archipel kon het zijn belangen nog wel uitbreiden en dit werd dan ook niet nagelaten. Het ene na het andere inlandse rijk werd geannexeerd. De bloedigste oorlog vond plaats in Atjeh.
Aan het begin van de 20e eeuw leek Nederland een nieuw elan te hebben verkregen. Economisch ging het voor de wind en in de koloniën waren de zaken onder controle. Aan de vooravond van de 3e Vredesconferentie, die in 1914 plaats zou vinden, lanceerde de rechtsgeleerde Cornelis van Vollenhoven (1874 - 1933) een plan om Nederland ook internationaal weer op de kaart te zetten: Nederland moest een politiemacht vormen die als opdracht had zorg te dragen voor de uitvoering van de vonnissen van het Permanente Hof van Arbitrage. In de voorstellen van Van Vollenhoven zijn de eerste contouren van de huidige Nederlandse opstelling ten aanzien van de internationale gemeenschap te zien. Zijn streven naar een internationale rechtsorde stond in schril contrast met zijn steun aan de Nederlandse annexatiepolitiek in Indië. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zou de Vredesconferentie geen doorgang vinden.
Na de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland vast houden aan zijn neutraliteitspolitiek. Aan het lidmaatschap van de Volkenbond in 1920 gingen felle discussies vooraf. De vrees bestond dat Nederland zijn onzijdigheidspolitiek niet zou kunnen handhaven. Deze vrees bleek ongegrond. Tot de inval van Duitsland bleef de neutraliteitspolitiek het fundament van het buitenlands beleid.
Afsluitend
Nederland heeft tussen 1600 en 1940 op verschillende manieren zijn belangen gevestigd en verdedigd. Toen het de middelen daartoe had voerde het een agressieve politiek, zowel in Europa, als overzee. Deze politiek was in hoofdzaak gericht op het veiligstellen van economische invloedssferen en niet op het veroveren van land. Na de vrede van Utrecht ontbeerde de Republiek de middelen om een dergelijke politiek in Europa te handhaven. Meer en meer neigde zij naar een neutrale positie en was de verdediging van het eigen territoir het enige belang dat zij nog met succes kon nastreven. In deze situatie kwam na de oprichting van het koninkrijk nauwelijks verandering. In Indië zag Nederland nog wel de mogelijkheid om middels geweld zijn belangen verder uit te breiden, hetgeen het dan ook zonder veel scrupules deed.
Pas in het begin van de 20e eeuw werden er ideeën ontwikkeld om Nederland weer een actieve rol binnen de internationale gemeenschap te laten vervullen. Ditmaal met de schijn van onbaatzuchtigheid. 'Schijn', want dit verlangen naar een actievere rol was door binnenlandse motieven ingegeven: Nederland wilde weer met de grote mogendheden mee kunnen praten en wenste daarnaast zijn veiligheid te vergroten. Een goed functionerende internationale rechtsgemeenschap, mede vorm gegeven door Nederland, was een uitstekend middel om deze doelen te bereiken.