Dit dossier is bijgewerkt tot 24 juli 2007.

Rembrandtjaar: de geschiedenis van een onfortuinlijke leerling

In 2006 werd herdacht dat Rembrandt van Rijn vierhonderd jaar geleden werd geboren. Het is een gebeurtenis die niet ongemerkt voorbij ging. In het hele land waren er herdenkingen, tentoonstellingen en geleerde bijeenkomsten georganiseerd. Ook de middenstand pikte een graantje mee dit jubeljaar. Zo bood een bakker in het Twentse Delden een broodje Rembrandt-Brie aan. Zelfs de meest hongerige Rembrandt-fan moest toch beamen dat dit aanbod helemaal niks met de tovenaar van het ‘clair-obscur’ van doen heeft. Dat is een beetje het stigma van Rembrandt. Dat deelt hij een met een ander fenomeen dat in hetzelfde jaar werd herdacht. Ook de naam van W.A. Mozart wordt postuum verbonden aan producten die de kunstenaar nimmer heeft gezien. In het geval van Rembrandt betreft het meestal schilderstukken die – zo blijkt veelal later – ten onrechte aan de meester worden toegeschreven. Er gaat bijna geen jaar voorbij of de namen van professor Ernst van de Wetering en het Rembrandt Research Project duiken weer op. Dan is er weer tot grote vreugde een nieuwe Rembrandt ontdekt of, oh schrik, tot grote droefheid juist weer een Rembrandt van de productielijst afgevoerd. In nogal wat gevallen gaat het dan om het werk van een leerling. Iemand die onder zijn leiding een doek heeft volgepenseeld. Hier en daar is er zelfs sprake van een gemeenschappelijke schildershand wanneer Rembrandt het werk heeft ‘opgezet’ en de leerling de details heeft geschilderd. 

Rembrandt heeft een groot aantal leerlingen gehad van wie sommige, zoals Gerard Dou en Ferdinand Bol, later beroemd werden. Geld, veel geld was nodig om een leerlingenplaats te bemachtigen. Had de leerling zich ingekocht dan volgde een jarenlang leerproces waarbij de leerling steeds meer verantwoordelijkheid in de schilderwerkplaats kreeg toegewezen. Pas als men volleerd was mocht een schilderij worden voorzien van de eigen handtekening. Er waren natuurlijk ook mindere talenten. Ambitieuze jonge mannen – vrouwelijke leerlingen zijn onbekend – die met veel inzet probeerden het kunstenaarschap van hun patroon te evenaren maar daar niet in slaagden. Jan Victors was één van die Rembrandt-leerlingen.

De familie Victors komt enkele jaren na de val van Antwerpen in 1590 naar Amsterdam. Jan, ook wel Johannes, Victors wordt op 13 juni 1619 in de Amsterdamse Oude Kerk gedoopt. Kort na de dood van zijn moeder hertrouwt zijn vader. De familie van zeven kinderen gaat wonen aan het ook toen al drukke Rokin. Op veertienjarige leeftijd komt Jan in de leer bij de grote Rembrandt, die in de jaren dertig van de zeventiende eeuw al een glanzende carrière heeft gemaakt. Over het precieze verloop en de omstandigheden van zijn leertijd is weinig bekend. Er werden geen rapportboekjes of diploma’s uitgereikt in die tijd. De leerperiode van Victors kan slechts achteraf door kunsthistorische experts worden geduid. Zijn eerste zelfstandig gesigneerde schilderijen dateren van 1640. Victors huwt twee jaar later met Jannetje Gerrits en vestigt zich als ‘schilder’ aan de Kalverstraat. Het echtpaar krijgt negen kinderen. Victors bouwt een bescheiden reputatie op als portretschilder. Hij schildert verschillende Amsterdamse notabelen. Kort na de geboorte van zijn jongste kind, in 1661, sterft zijn vrouw. Victors die nu alleen de opvoeding van zijn acht nog levende kinderen moet verzorgen, zal nooit meer hertrouwen. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de combinatie van de slechte economische omstandigheden in de Republiek, als gevolg van de oorlog met Groot-Brittannië en de zorg voor zijn kinderen de artistieke prestaties van Victors negatief beïnvloed. Zijn laatst bekende werk dateert van 1670. Drie jaar later, op 27 november 1673, monstert Jan Victors als ‘ziekentrooster’ (ook wel krankbezoeker) aan op het V.O.C. - schip ’t Wapen van Rotterdam. Het moet een wanhopige poging zijn geweest om aan zijn schuldeisers te ontkomen of om een deel van zijn schulden te kunnen voldoen. Het is niet waarschijnlijk dat Victors uit zucht naar avontuur huis en haard heeft verlaten. Uit notariële akten in het Gemeentearchief Amsterdam blijkt dat hij diverse schuldeisers had. Onduidelijk is of hij een deel van het voorschot van Fl. 330, - dat hij van de V.O.C. ontvangt heeft gebruikt om zijn schulden af te betalen. Ook is het niet duidelijk of Victors aan boord was van ’t Wapen van Rotterdam toen dit schip op 16 december 1673 naar Oost-Indië vertrok. Vast staat dat dit schip al een maand later door de Engelsen in de buurt van de Shetland-eilanden wordt genomen en opgebracht. Als hij aan boord is geweest moet hij of ontsnapt of door de Engelsen vrijgelaten zijn, want in 1676 duikt hij weer op bij een Amsterdamse notaris om een nieuwe schuldenregeling te treffen. Zes jaar later, op 26 oktober 1683, verklaart zoon Victor Victors, die net als adelborst op het schip China uit de Oost is teruggekeerd, bij een notaris dat zijn vader in september 1676 als ziekentrooster met het schip Rammekens naar de Oost is vertrokken. Uit zijn verklaring is af te leiden dat hij zijn vader daar nooit heeft ontmoet. Jan Victors was volgens compagniesdienaren al op een onbekende plaats in Azië overleden.

Literatuur