Dit dossier is bijgewerkt tot 13 juni 2007
Literatuur
In 2003 werd herdacht dat precies honderdveertig jaar eerder in de Nederlandse koloniën de slavernij werd afgeschaft. Op en rond 1 juli waren diverse bijeenkomsten gepland waar nazaten van slaven en nazaten van slavenhouders, slavenhandelaren en hoogwaardigheidsbekleders elkaar ontmoetten en stil stonden bij deze zwarte bladzijde uit ons gezamenlijke verleden.
In 1863 werden in Suriname, onze belangrijkste slavenstaat in de West, de kanonnen van het fort Zeelandia afgeschoten om de bevrijding van naar schatting vijfendertigduizend mensen die nog in slavernij leefden aan te kondigen. Ongeveer twaalfduizend mensen werden op de Antillen in vrijheid gesteld.
De ex-slaven moesten nog wel tien jaar gedwongen op de plantages blijven werken. Daar kregen ze dan een kleine vergoeding voor. In andere mededelingen werd ook gesproken over een vergoeding vanwege de afschaffing. Niet voor de slaven, voor alle helderheid, maar voor de eigenaren. Driehonderd harde Hollandse guldens per vrijgemaakte slaaf kregen de slavenhouders. Geld dat was verkregen uit de winst die Nederland kon maken op de bezittingen in de Oost.
In Nederlands Oost-Indië was de slavernij formeel al afgeschaft in 1860. Dat gebeurde zonder veel ruchtbaarheid. Slavernij was daar al op zijn retour en de feitelijke afschaffing was niet meer dan de bevestiging van de bestaande situatie. Op St. Maarten verdween de slavernij noodgedwongen in 1848, omdat deze toen op de Franse helft van het eiland werd afgeschaft.
De Nederlandse betrokkenheid bij de slavernij
Aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw voeren individuele Nederlandse schepen regelmatig op de Westkust van Afrika. Daar raakten ze bekend met de in Afrika bestaande slavernij en met de winsten die de handel in tot slaven gemaakte Afrikanen kon opleveren. Incidenteel verkochten Nederlandse koopvaarders slaven op de Portugese markt. Het gegeven dat in Nederland slavernij al sedert honderden jaren was verdwenen, weerhield de West Indische Compagnie (WIC) er niet van om vanaf ongeveer 1635 deel te nemen aan de slavenvaart. Het gedwongen transport van de Afrikanen kwam pas goed op gang toen de Republiek delen van Brazilië op de Portugezen wist te veroveren. Nadat dit gebied weer aan de Portugezen moest worden afgestaan, nam Suriname de rol van afzetgebied over. Daar hadden de Nederlanders zich in 1667 gevestigd nadat ze het land op de Engelsen hadden veroverd. In 1683 werd de Sociëteit van Suriname opgericht. De particuliere kolonie Suriname werd aanvankelijk vooral gebruikt om er rietsuikerplantages te vestigen. Ondernemers kochten van de Sociëteit stukken grond die ze vervolgens in cultuur brachten. Langs de grote rivieren verrezen plantages, met prachtige en soms romantische namen zoals 'Lust en Rust' of 'Mon Désir'.
Op de suiker-, koffie- en tabakplantages, die de voornaamste bron van inkomsten vormden van de plantages in Suriname, was voortdurend behoefte aan arbeidskrachten. De oorspronkelijke bewoners van het gebied, de Indianen, konden slechts beperkt als 'rode slaven' worden ingezet. Getalsmatig waren zij te gering aanwezig en daarnaast waren zij fysiek niet geschikt om het zware werk te verrichten. Werkkrachten moesten derhalve van elders komen. In de behoefte kon door de WIC worden voorzien door Afrikanen naar het Caribische gebied te brengen.
Aanvankelijk ging het daarbij niet om enorme aantallen. Het aantal plantages en daarmee het aantal eigenaren en slaven groeide echter gestaag. Tussen 1680 en 1780 groeide het aantal plantages van 200 tot 591 en het aantal slaven van 2800 tot 53.000. In het midden van de 18e eeuw was daarmee in Suriname het aantal slaven aanwezig dat min of meer constant zou blijven tot aan het begin van de 19e eeuw.
Gedurende de gehele periode van slavernij waren slaven getalsmatig in de meerderheid ten opzichte van hun eigenaren. De eigenaren waren weliswaar ten opzichte van slaven en Indianen beter bewapend en georganiseerd, maar vanaf het allereerste begin dreigde het gevaar van opstand. Met de groei van het aantal slaven in de kolonie nam ook het aantal pogingen tot verzet toe. Dat kon bijvoorbeeld door simpelweg 'weglopen' van de plantages. De feitelijke vlucht van een plantage was niet moeilijk. Er was onvoldoende bewaking om het vertrek van slaven te verhinderen. Het tropische en haast ondoordringbare bos dat alle plantages omringde vormde de barrière die het weglopen moest bemoeilijken. Toch slaagden slaven erin de Surinaamse natuur te overwinnen en zich te vestigen in kleine gemeenschappen. Deze 'Marrons' konden echter niet al hun levensbehoeften in het bos vinden. Voor metalen voorwerpen, wapens en kruit waren zij afhankelijk van de plantages. Dat leidde ertoe dat de plantages regelmatig werden overvallen om in die behoefte te voorzien. Beroemde guerrillaleiders zoals Boni, Baron en Joli Coeur veroorzaakten in de tweede helft van de achttiende met hun voortdurende aanvallen op plantages ernstige panieksituaties.
Ook op de Nederlandse Antillen werden - zij het veel minder -Afrikanen als slaven aangevoerd. Daar werden ze ingezet bij de zoutwinning en bij de (plantage)landbouw. Het eiland Curaçao functioneerde lange tijd als doorvoerhaven voor de Afrikanen die niet naar Suriname, maar naar bestemmingen elders in het Caribische gebied werden gebracht. Naar schatting negentigduizend Afrikanen bereikten na een verschrikkelijke zeereis in de laadruimen van stinkende schepen het eiland. Nadat ze op het eiland weer enigszins waren hersteld werden ze doorverkocht aan Spanjaarden, Portugezen, Engelsen, Fransen, Denen en Amerikanen.
In Nederlands Oost-Indië werden nauwelijks Afrikanen aangevoerd. De VOC maakte vooral gebruik van (plaatselijk) reeds aanwezige slaven, die van de inlandse vorsten werden gekocht. De noodzaak voor de aanvoer van grote aantallen slavenarbeiders was niet aanwezig. In het gebied was de 'plantage-economie' zoals die in de West gangbaar was, onbekend. Alle door de VOC ingekochte producten werden met lokale werkkrachten verbouwd of geproduceerd.
De Nederlandse betrokkenheid bij de slavenvaart
Op het totaal van ca. 10 miljoen mensen dat in de periode ca. 1500 tot ca. 1850 door Europeanen uit Afrika naar de Amerika's werd gebracht bedraagt het Nederlandse aandeel ongeveer 5%. Na een aarzelend begin kan de Nederlandse georganiseerde slavenvaart in een tweetal perioden worden onderverdeeld.
De eerste periode is die van het monopolie van de West Indische Compagnie. De compagnie gaf het monopolie door een gebrek aan baten in 1730 (deels) op. Op grond van berekeningen aan de hand van de bewaarde boekhouding, zijn in deze periode ongeveer 273.000 Afrikanen naar de Amerika's overbracht.
De tweede periode is die van het 'particuliere initiatief' dat mogelijk werd nadat het monopolie van de WIC was opgeheven. Die periode strekt zich uit van 1730 tot 1803. In deze periode gold de Middelburgse Commercie Compagnie als de grootste particuliere slavenhandelaar. Naar kan worden aangenomen zijn ongeveer 257.000 personen in deze periode overgebracht. Dat brengt het totaal aantal door Nederlandse schepen overgebrachte Afrikanen op ongeveer 550.000 personen.
Bij deze verdeling moeten twee opmerkingen worden geplaatst. Tijdens de periode van het WIC-monopolie waren er incidenteel 'smokkelaars' actief op de Afrikaanse kust. Deze zogenoemde 'lorredraaiers' brachten illegaal Afrikaanse slaven over naar Amerika. De aard van deze illegale handel maakt het onmogelijk om nauwkeurig het precieze aantal slaven dat werd vervoerd vast te stellen. Een tweede opmerking betreft het gegeven dat niet alle slaven behouden aankwamen. Ongeveer 460.000 bereikten uiteindelijk hun bestemming. Dat betekent dat 90.000 mensen onderweg, soms onder de meest erbarmelijke omstandigheden, stierven. Het gemiddelde 'verliespercentage' door sterfte bedraagt dan 16%.
Het is een verliespercentage dat op zich niet veel zegt omdat het een gemiddelde is.
Als een overtocht door tegenslagen langer duurde konden de slavenschepen worden getroffen door een uitbraak van een epidemie. Dan verloren de schepen veel meer slaven dan het gemiddelde percentage. In dat soort situaties kon overigens ook een groot deel van de bemanning slachtoffer worden. Aan het eind van de 18e eeuw konden de schepen steeds sneller zeilen. De snellere overtocht bracht in combinatie met andere maatregelen het aantal slaven dat onderweg overleed drastisch omlaag.
De afschaffing
In Groot-Brittannië kreeg het verzet tegen slavernij en slavenhandel vorm vanaf het laatste kwart van de achttiende eeuw. De Britse abolitionisten (afschafbeweging) slaagde er in om de handel in slaven vanaf 1807 te laten verbieden. Door middel van verdragen wisten de Britten ook andere Europese landen te bewegen om de handel stop te zetten. Willem I tekende het verdrag namens Nederland in 1814. De feitelijke afschaffing van de slavernij kende nog een lange geschiedenis. Denemarken deed het in 1803, Groot-Brittannië in 1834, Frankrijk in 1848, Nederland in 1863, de Verenigde Staten in 1865 (na afloop van de burgeroorlog), Portugal in 1869, Spanje in 1886 en Brazilië in 1888. Daarmee zou echter slavernij niet van de aardbodem verdwijnen. Ook vandaag nog worden, vooral in de zogenoemde Derde Wereldlanden, mensen in feitelijke slavernij gehouden.