Dit dossier is bijgewerkt tot september 2007
Cornelis (Kees) Reinier van Kooten werd geboren in 1941 in Den Haag. Hij groeide op in een warm, eenvoudig maar vrijzinnig milieu en ontmoette in de jaren vijftig op het Dalton lyceum Wim de Bie, met wie hij jarenlang zeer nauw zou samenwerken. De figuur Van Kooten is niet los te zien van De Bie. Samen maakten zij satirisch theater waarvoor ze in feite een geheel eigen vorm ontwikkelden. Soms is duidelijk dat ze ook wel eens zijn geïnspireerd door de Engelse collega's van Monty Python. Die waren echter met zes man sterk en dus minder op vaste combinaties met elkaar aangewezen dan Kees van Kooten en Wim de Bie. Op den duur waren 'Koot en Bie' een begrip en was het enige stramien hun eigen, eigenzinnige vorm en hun samenwerking met enkele vaste technici en grimeur Arjen van der Grijn.
Van Kooten en De Bie werkten in de jaren zestig als de Klisjeemannetjes voor de radio en traden vervolgens op in het tv-programma Hadimassa. Ze opereerden daarna zelfstandig op de Nederlandse televisie van 1974 tot 1998. In de jaren zeventig verzorgden ze samen enkele avondvullende programma's, die kaleidoscopisch waren opgebouwd. Het vermogen van Van Kooten en De Bie om taalvondsten ingang te doen vinden is legendarisch, en niet ten onrechte. Dit zal te maken hebben met de kwaliteit van hun vondsten, maar ook met hun medium - de televisie - en met hun publiek: de intellectuele elite van Nederland die zelf als opiniemakers gretig met de succesvolle creaties van de onverdachte Koot en Bie aan de haal gingen. Aan de taalverrijking van Van Kooten en De Bie is een apart boek gewijd door Ewoud Sanders: Jemig de pemig! uit 1999, wat in vijf jaar tijd zeven keer werd herdrukt.
Een ander opvallend medium dat Koot en Bie gezamenlijk gebruikten voor hun kritiek, satire, humor en taalspel was de Bescheurkalender, die verscheen tussen 1972 en 1987. De kalenderbladen bevatten aan beide zijden een grap, boutade, overweging of foto, wat dus alleen al voor deze kalenders op ruim tienduizend stuks komt! Ook daarmee stopten ze uiteindelijk, omdat volgens hen de ideeën gewoon op waren en ze zichzelf wilden behoeden voor kwaliteits- en dus gezichtsverlies.
In de jaren zestig al ontpopte Kees van Kooten zich als schrijver. Hij schreef columns in de Haagse post, waarin hij een feilloos gevoel aan de dag legde voor de tijdgeest. Daarbij ging het om beeld, taalgebruik, mode, hobbies, gezinsleven, kortom: trends. Omdat hij in zijn columns vaak spotte met wat hij waarnam noemde hij die column: Treitertrend. Ze werden gebundeld in Treitertrends, Treitertrends: 2, en Laatste treitertrends. De beste kwamen vervolgens nog eens uit als Ergste treitertrends. Deze teksten sloegen wel aan, maar haalden nog niet de mega-oplagen van Van Kootens latere boeken. Opvallend bij het herlezen van dit werk is dat het muurvast verankerd blijkt te zijn in de tijd waarin het ontstond.
Dit geldt ook voor zijn verschillende boeken met Modermismen maar minder voor zijn meer autobiografische werk: Koot graaft zich autobio, Veertig, Levensnevel en Annie. In deze boeken wist hij met zelfspot, humor en grote zeggingskracht, maar zonder enige zwaarwichtigheid zijn voor velen o, zo herkenbare verhaal te vertolken. Of het nu is als kind, als gestrande vakantieganger, als jonge vader, als kind van een zeer oude ouder, als man, dierenliefhebber of echtgenoot: aanstekelijke humor en herkenbaarheid zijn de grote succesfactoren voor Van Kootens werk.
Op 22 april 2004 ontving Kees van Kooten de Gouden Ganzeveer vanwege zijn betekenis voor het geschreven woord. Het is niet de eerste prijs die Van Kooten ontving voor zijn virtuoze omgang met de Nederlandse taal. In 1987 nam hij al de CPNB publieksprijs voor romans en verhalen in ontvangst en in 2000 de Groenman-taalprijs.