Dit dossier is bijgewerkt tot 4 augustus 2003
Literatuur
- Gedichten en liedjes voor kinderen
- Verhalen voor kinderen
- Vertalingen van (prenten)boeken
- Gedichten en liedjes voor volwassenen
- Oudere Nederlandse teksten ingeleid, verklaard, vertaald
- Over Nederlandse literatuur
- Bloemlezingen en verzamelingen
- Bibliofiele uitgaven, Twentse drukken
- Titels over Willem Wilmink
- Links
Op 2 augustus 2003 is Willem Wilmink overleden. Hij werd 66 jaar. Voor de Nederlandse (jeugd)literatuur is hij van groot belang geweest. Maar ook de televisie, het cabaret en het Nederlandse lied hebben van zijn talenten geprofiteerd.
Willem Wilmink werd in 1936 in Twente geboren en maakte als kind de oorlog mee. In zijn werk zijn veel indrukken uit die periode en zijn liefde voor zijn geboortegrond terug te vinden.
In Amsterdam, waar hij Nederlands studeerde en doceerde aan de Universiteit, voelde hij zich een migrant. Alleen in de Jordaan was hij thuis; daar leek het op Enschede. De laatste periode van zijn leven woonde hij weer in zijn geboortestad, in zijn oude straat. De stad waarover hij in het gedicht Textielstad schreef:
Het is het eindpunt van de trein,
bijna geen mens hoeft er te zijn,
bijna geen hond gaat zover mee:
Enschede.
Hij promoveerde op de poëzie van Hendrik de Vries. Het werk fascineerde hem om de geheimzinnige gedichten geschreven vanuit het perspectief van een kind.
Wilmink weigerde onderscheid te maken tussen literatuur en lectuur, banaal en verheven. Hij hield ook niet van het verschil tussen poëzie en liedjes; voor hem was dat gelijkwaardig. Zijn definitie van literatuur was eenvoudig: 'Als Eddy Christiani zingt 'Mijn achterband is wel wat zacht, maar dat geeft niet lieve pop, spring maar achterop, spring maar achterop', dan heeft hij geen fiets bij zich en daarom is het literatuur.' Collega's aan de universiteit vonden zijn aanpak 'onwetenschappelijk', maar daar trok Wilmink zich niets van aan. Hij had een hekel aan elitaire kunst en behandelde ook volksliederen, kinderliedjes en smartlappen. Muziek was belangrijk voor hem; Wilmink speelde zelf accordeon en trad op met de groep Quasimodo. Harry Bannink maakte veel van de arrangementen bij zijn teksten.
Wat heel zijn werk ademt is het belang van de kindertijd als basis voor het verdere leven, 'bewondering voor de kinderziel' noemde hij het zelf.
'Men kan zijn kindertijd herdenken uit weemoed om het verloren geluk, maar ook omdat men op zoek is naar een verloren gegane waarheid.' Die uitspraak van Wilmink is opgenomen in het voorwoord van de bundel Het kind is vader van de man. De titel is ontleend aan de negentiende-eeuwse dichter Wordsworth en spreekt voor zich. Puttend uit herinneringen vonden melancholie, vriendschap, liefde, mededogen en troost hun plaats in zijn teksten, op lichte toon, helder en direct. Voor iedereen te begrijpen en aan te voelen. Wilmink zei in een interview in 1995: 'De vorm moet perfect zijn, maar terloops, de overhand mag hij niet nemen. Zodra je een gedicht 'knap' gaat noemen is er iets mis - dan heeft het je niet kunnen beroeren.'
Annie Schmidt zei dat ze 'altijd acht gebleven' was. Wilmink schatte zijn emotionele leeftijd op elf jaar. Hij bezingt vaak een voorbije tijd, maar met gevoelens die van alle tijden zijn; het is nooit abstract; de situaties zijn persoonlijk en herkenbaar.
Veel mensen kennen zijn werk van de televisie. Wilmink vormde met Fetze Pijlman, Hans Dorrestijn, Karel Eykman, Jan Riem en Ries Moonen het Schrijverscollectief. Ze maakten onder andere teksten voor de Stratemaker-op-zee-show en J.J. de Bom. Dat was voor behoudende volwassenen nieuw en schokkend met teksten ontleend aan de alledaagse kinderwereld als: 'Rotmeid, pis in je broek' en 'ik poep een drol in je speelgoedservies'.
Het vaak geromantiseerde kinderleven werd bij hem veel realistischer en dat werd hem niet altijd in dank afgenomen. Uit veel van zijn werk blijkt begrip voor onderdrukte, gepeste en onbegrepen kinderen, bijvoorbeeld in Die mooie kindertijd:
Ze schrijven in de boeken:
de kindertijd is fijn,
maar voor jou zijn er wel dagen
dat je liever dood zou zijn.
Toch wordt de ernst van zijn onderwerpen nooit te zwaar, want zijn humor relativeerde alles.
Wilmink was een tovenaar met taal. Van veel beroemde liedjes weten de luisteraars vaak niet dat Willem Wilmink de tekst schreef. 'Den Haag, Den Haag, de weduwe van Indië ben jij' (Arm Den Haag gezongen door Wieteke van Dort); 'De dwaze moeders van het plein, wier kinderen verduisterd zijn' (Signalen gezongen door Herman van Veen); 'Ach, zou die school er nog wel zijn, kastanjebomen op het plein' (De oude school gezongen door Don Quishocking); 'Ik weet waar een café is, biljart en een tv is' (Adieu café gezongen door Herman van Veen) en vele andere geliefde liederen.
In 2001 verscheen een selectie van zijn liedjes op compactdisc: Willem Wilmink, zijn mooiste liedjes, waarop behalve bovengenoemde zangers ook Jenny Arean, Joost Prinsen, Adèle Bloemendaal, Joke Bruijs, Simone Kleinsma, Frank Groothof, Willem Nijholt, Carry Tefsen, Gerard Cox, Lenny Kuhr, Gerda Havertong en Wilmink zelf zijn teksten zingen.
Wilminks oeuvre is groot en breed. Hij schreef gedichten en verhalen voor volwassenen en voor kinderen, teksten voor cabaret en televisie, een driedelige cursus over het schrijven van gedichten, hij bewerkte oude teksten zoals De reis van Sint Brandaen uit de 12e eeuw en verklaarde het Wilhelmus. Hij vertaalde gedichten en prentenboeken uit het Duits, Engels, Frans en Zuid-Afrikaans. Hoeveel gedichten en liedjes hij heeft geschreven is te zien in de bloemlezing Verzamelde liedjes en gedichten van vroeger waarvan de 5de druk uit 1999 maar liefst 707 pagina's telt.
Zijn werk werd meermalen bekroond, en voor zijn gehele werk kreeg hij in 1988 de Theo Thijssenprijs.
In het gedicht Een probleem vraagt een kind wat er gebeurt als iemand dood is. De dichter laat een oude man antwoorden:
'Maar als ik dood ben
is 't eerste wat ik doe:
Honderd jaar slapen.
Want ik ben moe.'
In 2003 verscheen de bundel: Je moet je op het ergste voorbereiden, een keuze uit eigen werk van gedichten over de dood.