Het Evangeliarium van Egmond is ongetwijfeld een van Nederlands belangrijkste cultuurhistorische voorwerpen uit de vroege middeleeuwen. Naast zijn belang als historisch document bevat het de oudste afbeeldingen van Nederlandse mensen en gebouwen en vertegenwoordigt het eveneens één van de oudste bewaard gebleven kerkschatten.

Het handschrift bevat de tekst van de vier evangeliën en werd, zoals uit karakteristieken van het schrift valt af te leiden, in het derde kwart van de negende eeuw in Reims in Noord-Frankrijk geschreven. Enige tijd later moet het boek in westelijker streken zijn beland, waar een rijke versiering van canontafels, evangelistenportretten en sierbladzijden in de zgn. Franco-Saksische stijl werd toegevoegd. Rond 975 kwam het boek in bezit van Dirk II, graaf van Holland van ca. 939 tot 988, die er een kostbare met goud en edelstenen versierde band om liet zetten. Hij gaf het handschrift vervolgens ten geschenke aan de Abdij van Egmond, waarschijnlijk ter gelegenheid van de wijding van de door hem in steen herbouwde kloosterkerk. Bij die gelegenheid liet hij twee miniaturen toevoegen, die de schenking vastleggen. Op de eerste zien we hoe Dirk en zijn echtgenote Hildegard het boek op het altaar neerleggen, terwijl rond hen de kloosterkerk is afgebeeld in de voor de middeleeuwen gebruikelijke combinatie van dwarsdoorsnede en buitenaanzicht. Op de rechter, hier niet weergegeven miniatuur, smeken beide echtelieden tot de H. Adalbert, de patroonheilige van Egmond, om voorspraak bij Christus. Beide voorstellingen worden toegelicht door een Latijns vers, waarvan het linker, in vertaling, als volgt luidt: ‘Dit boek werd geschonken door Dirk en zijn geliefde vrouw Hildegard aan de genadige vader Adalbert, opdat hij hen rechtvaardig zal gedenken in alle eeuwigheid’.

Het Evangeliarium bleef tot in de zestiende eeuw in Egmond, tot het tijdens de woelingen van de beeldenstorm eerst in Haarlem en vervolgens in Keulen in veiligheid werd gebracht; de rijk versierde band is in die tijd verloren gegaan. Aan het begin van de negentiende eeuw werd het handschrift in Utrecht herontdekt en wegens zijn historisch belang door de Nederlandse Staat aangekocht en in de Koninklijke Bibliotheek geplaatst.