Het eerste grote didactische werk dat Jacob van Maerlant ten behoeve van zijn medeburgers in de volkstaal omzette is De Natura Rerum van Thomas van Cantimpré (zie ook nr. 5). Het boek is een van de schakels in een lange keten van teksten, waarin de kennis omtrent de bestaande wereld van de oudheid werd doorgegeven naar de middeleeuwen. De oudste bron is de rond 200 na Christus in Alexandrië ontstane Physiologus, waarin rond vijftig dieren, fabelwezens en gesteenten beschreven worden. Dit werk werd in latere eeuwen steeds uitgebreid en veranderd; bij Thomas van Cantimpré is het aantal beschrijvingen al uitgegroeid tot ettelijke honderden. Het omvangrijke compendium, dat alle in die tijd voorhanden kennis over de wereld en het heelal samenvat, werd door Maerlant enigszins bekort. In dertien boeken behandelde hij achtereenvolgens de mens, viervoetige dieren, vogels, zeemonsters en vissen, kruipende dieren en insekten, bomen, specerijen en geneeskrachtige kruiden, bronnen, edelstenen en de zeven metalen.
Het boek opent met de behandeling van een aantal vreemde mensenrassen, die, naar men sedert de oudheid aannam, in verre en onbekende landen als Ethiopië en India voorkwamen. Nadat hun geloofwaardigheid verder was toegenomen doordat de kerkvaders er over uitweidden, kregen deze 'homines monstruosi' een vaste plaats in middeleeuwse encyclopedieën. De hier weergegeven bladzijde toont linksboven mensen die zo'n kleine mond hebben dat ze niet kunnen eten, maar slechts door een rietje kunnen drinken, daaronder volgen menseneters en geheel beneden mensen met één oog, de cyclopen. Rechtsboven zitten mensen die slechts één been hebben, waarvan de voet echter zo groot is dat ze hem als zonnescherm kunnen gebruiken. Daarop volgen mensen zonder hoofd, maar met ogen en neusgaten in de borst en tot slot mensen die leven van de geur van appels en deze daarom voortdurend onder hun neus houden.
De tekst van Der Naturen Bloeme is overgeleverd in elf exemplaren, waarvan er zeven verlucht zijn. De onderlinge relatie tussen de handschriften is echter nog niet diepgaand onderzocht. Van het Haagse handschrift is de plaats van herkomst moeilijk vast te stellen, het moet rond 1350 in Vlaanderen of Utrecht zijn vervaardigd.
Literatuur
- Schatten van de Koninklijke Bibliotheek. 's-Gravenhage 1980, nr. 62
- De verluchte handschriften en incunabelen van de Koninklijke Bibliotheek. 's-Gravenhage 1985, nr. 364