Voorgeschiedenis

Het verhaal van Beatrijs wordt voor het eerst gevonden in de Libri octo miraculorum, een verzameling legenden en exempelen, van Caesarius van Heisterbach (c. 1180-1240). In een tweede verzameling van zijn hand, de Dialogus miraculorum, komt ook een versie van de Beatrijs-legende voor. Beide versies zijn in proza. Het verhaal is overgeleverd in vrijwel alle Westeuropese talen.

Een Middelnederlandse vertaling van het prozaverhaal is in een aantal handschriften bewaard gebleven, onder andere in KB-handschrift 70 H 42. De berijmde versie uit handschrift 76 E 5, de versie op deze website, is uniek.

Na de middeleeuwen raakte het genre van de Marialegenden in protestantse contreien in de vergetelheid, maar in 1659 verscheen in Antwerpen het Tweede deel vande wonderbaere mirakelen vanden H. Roosen-crans, waarin het verhaal van Beatrijs nog eens in verzen wordt verteld.

Pas in de negentiende eeuw werd de Middelnederlandse berijmde versie herontdekt door W.J.A. Jonckbloet. Zijn uitgave van het gedicht, de eerste, dateert van 1841. De kwaliteit van het gedicht werd snel erkend en sinds het midden van de negentiende eeuw hoort Beatrijs bij de canon van de Nederlandse letterkunde.

Boutens’ Beatrijs

Het Beatrijs-verhaal is in de twintigste eeuw mede populair geworden door de bewerking die de dichter P.C. Boutens ervan maakte. Deze bewerking verscheen voor het eerst in 1908 en werd sindsdien niet minder dan 49 keer herdrukt, voor het laatst in 1984. Boutens bewerkte de tekst tamelijk vrij. De oorspronkelijke tekst telt ruim 1.000 regels, Boutens verhaalt de legende over de non Beatrijs in nog geen 400 regels. Dat kan aan de populariteit van de bewerking hebben bijgedragen. Maar ook Boutens’ ritme en woordkeus maakten zijn uitvoering van Beatrijs immens populair. Boutens zelf zei het zo:

Dit is de sproke van Beatrijs.
Ik schreef haar uit op weinig blaên
In zulk een klare en simple wijs
Als kinderen verstaan.

Vertalingen in het modern Nederlands en andere talen

Voornamelijk ten behoeve van het literatuuronderwijs verschenen vele Nederlandse vertalingen en bewerkingen van Beatrijs. De eerste verscheen in 1916: Beatrijs. Het middelnederlandse gedicht in proza naverteld door R.J. Spitz. Van de moderne vertalingen noemen we die van H. Adema (1982; zesde druk 2002). Verder verschenen vertalingen van Gabriël Smit (1979) en van Karel Jonckheere (1980). Voor deze website is gekozen voor de modernste en toegankelijke vertaling van Willem Wilmink (1995).

Beatrijs werd verschillende malen bewerkt voor het toneel. Herman Teirlinck schreef het stuk Ik dien (1924) op basis van de legende; dit toneelstuk werd in 1925 door Wille Landré bewerkt tot een opera. Bijzonder aan beide versies is dat er een niet onbelangrijke rol is weggelegd voor (een personificatie van) Beatrijs’ tong en blik. Een tweede toneelbewerking is van de hand van Felix Rutten (1918).

Al in 1870 verscheen een ‘hochdeutsche, metrische Übersetzung’ door Lina Schneider (onder het pseudoniem Wilhelm Berg). Harold de Wolf Fuller vertaalde het verhaal in het Engels (Cambridge, 1909). Een tweede Duitse vertaling volgde in 1919, door Friedrich Markus Hübner (bij gravures van Felix Timmermans). Pieter Geyl bediende de Angelsaksischse wereld in 1927 opnieuw met The tale of Beatrice. Twaalf jaar later verscheen P.C. Schoonees’ vertaling in het Afrikaans: Beatrijs: ’n middeleeuse juweel, en in 1944 de derde Engelse versie: The miracle of Beatrice (vertaling van A.J. Barnouw).

Een facsimile-uitgave van het handschrift (Zellik, 1986) bevat een Franse, Engelse (van Barnouw, zie boven) en Duitse vertaling. In de KB-collectie bevindt zich daarnaast nog een vertaling in het Fries (door Klaas Bruinsma, 1993), in het Esperanto (door Gerrit Berveling, 1986) en één in het dialect van Bunschoten-Spakenburg en Eemdijk (door M. Nagel, 2005).