| Het dichten brengt me weinig voordeel. |
| De meeste mensen zijn van oordeel |
| dat ik een ander vak moet leren. |
| En toch, om haar te eren |
| 5 | die als moeder maagd kon blijven, |
| wil ik een wonder gaan beschrijven |
| waarmee de Here God beoogde |
| Maria te loven, die hem zoogde. |
| Over een non wil ik gaan dichten: |
| 10 | moge God mijn geest verlichten, |
| want ik moet hoofd- en bijzaak scheiden |
| en dit tot een goed einde leiden. |
| Ik moet me aan de feiten houden |
| die Gijsbrecht me eens toevertrouwde, |
| 15 | een monnik die als schriftgeleerde |
| dagelijks boeken bestudeerde |
| en daarin ook dit wonder las. |
| De non, van wie al sprake was, |
| was een edelvrouw, zo fijn van zeden |
| 20 | dat men er, naar ik meen, op heden |
| niet één meer vindt van dat gehalte, |
| van zowel zeden als gestalte. |
| Als ik de lof zong van haar leden |
| en van al haar bekoorlijkheden, |
| 25 | zou dat de hoorder weinig stichten. |
| Hoor dan, wat ze voor werk verrichtte |
| gedurende de lange tijd |
| dat ze gekleed was in 't habijt, |
| daar in dat mooie klooster, waar |
| 30 | ze kosteres was, jaar na jaar. |
| Ze was nooit lui of onzorgvuldig, |
| bij dag of nacht nooit ongeduldig, |
| was vlug en vaardig in haar werk, |
| moest de klok luiden in de kerk, |
| 35 | lei boeken klaar, stak kaarsen aan, |
| heeft 's morgens 't klooster op doen staan. |
| |
| Maar met dat al was ze niet zonder |
| 't gevoel dat aandoet als een wonder |
| bij wie het treft, in alle landen: |
| 40 | de liefde, die nu eens tot schande, |
| ziekte, wraak of weemoedigheid |
| en dan ook weer tot vreugde leidt. |
| De wijze maakt ze tot zo'n zot |
| dat hij de slaaf wordt van zijn lot, |
| 45 | of dat hem nu verheugt of spijt. |
| Sommigen raken de kluts goed kwijt: |
| moeten ze nu spreken of zwijgen |
| om het gewenste te verkrijgen? |
| Liefde loopt menigeen onder de voet, |
| 50 | die ze al dan niet weer opstaan doet |
| en ze maakt tot gulle lieden |
| wie geen stuiver zouden bieden |
| als zij het niet voor zou schrijven. |
| Er zijn er ook, die standvastig blijven, |
| 55 | die samen delen in hun leven |
| al wat de liefde heeft gegeven |
| aan blijdschap en genot en rouw |
| en zulke liefde noem ik: trouw. |
| Er is niemand die overziet |
| 60 | hoeveel geluk, hoeveel verdriet |
| de liefde kunnen vergezellen. |
| Daarom mag je geen oordeel vellen |
| over de liefde van die non, |
| waar ze niet aan ontkomen kon. |
| 65 | Want de duivel ziet er op toe |
| de mens te verleiden, hij wordt het nooit moe: |
| bij dag of nacht en vroeg of laat |
| is hij druk doende met het kwaad. |
| Veel streken heeft hij uitgevonden |
| 70 | om te bekoren met vleselijke zonden. |
| De arme non stierf duizend doden |
| en ze bad God, haar in haar noden |
| troost te geven door Zijn genade. |
| Ze zei: 'Ik ben zo zwaar beladen |
| 75 | met niets dan liefde, en zo gewond |
| - Hij weet het, die tot op de grond |
| van de zielen af kan dalen - |
| dat mijn ziekte me doet verdwalen. |
| Ik moet een ander leven leiden, |
| 80 | dus ik leg mijn habijt terzijde.' |
| Hoor, hoe het haar hierna verging. |
| zij deed meteen de jongeling |
| van wie ze hield een brief toekomen |
| met wat moest worden ondernomen: |
| 85 | hij zou in't klooster haar ontmoeten |
| en zo zijn nieuw geluk begroeten. |
| De bode kwam, waar de jongen was. |
| Die pakte de brief en las |
| wat zijn vriendin hem had geschreven. |
| 90 | Het heeft hem grote vreugde gegeven |
| en hij haastte zich naar daar. |
| er was al sinds hun twaalfde jaar |
| liefde tussen deze twee |
| en ze hadden het daar moeilijk mee. |
| |
| 95 | Naar 't klooster ging hij rijden |
| waar hij bij 't raampje haar verbeidde |
| dat daar in de bezoekzaal zat. |
| Voorzichtig vroeg hij naar zijn schat, |
| of hij haar mocht spreken en zien. |
| 100 | Ze kwam een ogenblik nadien |
| om een blijk van liefde op te vangen |
| bij 't raampje, dat met ijzeren stangen |
| in lengte en breedte was bevlochten. |
| Hoe ze toch tegen hun tranen vochten, |
| 105 | want hij zat buiten en zij zat binnen |
| en zo konden ze niets beginnen. |
| Daar zaten ze, het leken uren |
| en zij hadden zoveel te verduren: |
| verblekend, blozend, droef en blij. |
| 110 | 'Ach lieveling,' verzuchtte zij, |
| 'ik heb er zo veel moeite mee, |
| toe, zeg me gauw een woordje of twee |
| dat mij een beetje troosten kan. |
| Ik word er zo wanhopig van, |
| 115 | de liefdesangel in mijn hart |
| steekt me en geeft me pijn en smart. |
| Ik zal dagelijks moeten lijden |
| totdat jij me komt bevrijden.' |
| |
| Hij koos zijn woorden keurig: |
| 120 | 'Ook ik, vriendin, ben treurig, |
| want al vele lange dagen |
| moeten wij dit verdragen. |
| Als ik je wilde kussen, |
| dan kwam er steeds wat tussen. |
| 125 | Aan Venus met haar streken |
| zijn wij bijna bezweken; |
| moge God haar verdoemen, |
| want ze laat twee mooie bloemen |
| moedeloos de kopjes buigen. |
| 130 | Als ik jou kon overtuigen |
| het habijt terzij te leggen |
| en mij dan de tijd te zeggen |
| dat ik je hier vandaan kon leiden… |
| Ik zou alles voorbereiden: |
| 135 | mooie kleren zou je dragen, |
| rijke voering, bonten kragen, |
| mantel, jurk en overkleed. |
| Met jou deel ik lief en leed, |
| ik blijf bij je in de zure |
| 140 | en de zoete avonturen |
| als jij geloof hecht aan mijn woorden.' |
| 'Vriend, dit is wat ik graag hoorde,' |
| zei ze, 'dus neem ik het aan |
| en wil zover met je gaan |
| 145 | dat geen mens in de abdij |
| meer iets weet van jou en mij. |
| Kom dan over zeven nachten |
| en dan moet je op me wachten |
| in die mooie boomgaard daar, |
| 150 | bij de wilde rozelaar. |
| Dan kom ik een deurtje uit |
| en dan ben ik dus je bruid, |
| die zal gaan waar jij begeert. |
| Zolang mij geen ziekte deert |
| 155 | en geen narigheid of pijn, |
| zal ik zijn waar jij zult zijn |
| en je zorgen helpen dragen. |
| 'k Wou van jou hetzelfde vragen.' |
| |
| Toen dit was overeengekomen, |
| 160 | heeft hij afscheid van haar genomen |
| en ging naar zijn gezadeld paard |
| en toen reed hij in volle vaart |
| over gras en over hei |
| naar een stad, daar vrij dichtbij. |
| 165 | Denk niet dat hij zijn lief vergat: |
| hij ging winkelen in die stad, |
| kocht blauwe stof en ook scharlaken |
| en daarvan liet hij maken: |
| een mantel en een kap, heel breed, |
| 170 | een jurk en ook een overkleed, |
| alles afgezet met bont. |
| Niemand die ooit vrouwen vond |
| met mooiere kleren om te dragen: |
| ze werden geprezen door al wie ze zagen. |
| 175 | Mes en gordel, beugeltas |
| kocht hij haar, hoe duur 't ook was, |
| gouden haarnetten en ringen, |
| en nog veel meer mooie dingen. |
| Naar al 't bijzondere liet hij vragen |
| 180 | dat een bruid maar kan behagen. |
| Met geld genoeg voor een paleis |
| ging hij in de avond laat op reis, |
| is de stad heimelijk uitgereden |
| met op zijn paard de kostbaarheden |
| 185 | goed opgetast. Met flinke spoed |
| reed hij het klooster tegemoet. |
| Volgens afspraak zat hij daar |
| onder de wilde rozelaar |
| tussen de bloemen en de dauw |
| 190 | totdat zijn liefste komen zou. |
| |
| We laten hem daar even blijven |
| om 't mooie meisje te beschrijven |
| dat hem niet uit haar hoofd kon zetten, |
| die nacht, bij 't luiden van de metten. |
| 195 | Toen de metten waren gezongen |
| door zowel de ouden als de jongen |
| die in dat klooster waren gegaan |
| en ze uit het koor vandaan |
| naar de slaapzaal gingen met hun allen, |
| 200 | liet zij zich op haar knieën vallen |
| en ze sprak innige gebeden, |
| zoals zo vaak in het verleden. |
| Heel angstig lag ze voor 't altaar |
| en deze woorden bad ze daar: |
| 205 | 'Maria, moeder vol genade, |
| mijn lichaam, het kan na mijn daden |
| het habijt niet meer verdragen. |
| U kent in al zijn levensdagen |
| de mens en zijn onzekerheden. |
| 210 | Ik heb gevast en heb gebeden |
| en ben mezelf ook gaan kastijden, |
| maar 't bracht geen oplossing voor 't lijden. |
| De liefde liep me onder de voet, |
| zodat ik het wereldse dienen moet. |
| 215 | Zo waar, Heer, als u werd gevangen |
| en tussen twee boeven gehangen |
| aan een kruis dat uw leden rekte, |
| zo waarlijk als U Lazarus wekte |
| uit zijn graf en uit zijn dood, |
| 220 | zo waarlijk kent U al mijn nood. |
| U kunt mij de zonden vergeven |
| waarin ik zal moeten leven.' |
| |
| Daarna heeft ze het koor verlaten |
| om met Maria te gaan praten: |
| 225 | ze is voor haar klein beeld getreden |
| en knielde daar en heeft gebeden, |
| dat ogenblik van angst bevrijd: |
| 'Dag en nacht heb ik wat ik lijd |
| U toevertrouwd: al mijn verdriet, |
| 230 | maar veel geholpen heeft het niet. |
| Ik raak al mijn verstand nog kwijt |
| als ik langer blijf in dit habijt!' |
| Ze trok haar pij uit en legde die daar |
| op het Onze Lieve Vrouwe-altaar. |
| 235 | Ze heeft haar sandalen uitgedaan |
| en hoor, hoe dit nu door zal gaan: |
| De sleutels van de sacristie |
| hing ze vlak bij Maria, die |
| daar stond, vlak tegenover haar. |
| 240 | Ze hing die zware sleutels daar |
| opdat die in het oog zouden springen |
| als de getijden weer aanvingen. |
| Want iedereen is wel zo goed |
| dat hij Maria even groet, |
| 245 | iedereen kijkt haar toch aan, |
| zegt 'ave', voor weer door te gaan. |
| Dat leek de non een zeker ding, |
| zodat ze daar de sleutels hing. |
| |
| Daar ging ze dan in al haar leed, |
| 250 | slechts in een onderjurk gekleed, |
| is naar een deurtje toegelopen |
| en deed het voorzichtig open |
| en ongemerkt ging ze daaruit, |
| stilletjes, zonder geluid. |
| 255 | Vol van vrees kwam ze onder de bomen |
| en de jongeling zag haar komen |
| en hij zei 'Lieveling, schrik maar niet, |
| het is je vriend, die je hier ziet.' |
| Toen die twee daar samenkwamen, |
| 260 | toen begon ze zich te schamen, |
| want ze stond in haar ondergoed, |
| met niets op 't hoofd of aan de voet. |
| Hij zei: 'Meisje van mijn verlangen, |
| ik zal je lichaam gaan omhangen |
| 265 | met mooie sjaals en mooie kleren, |
| je hoeft je niet lang meer te generen, |
| want alles ligt al voor je klaar.' |
| Toen gingen ze onder de rozelaar |
| en daar waren kleren genoeg, |
| 270 | veel meer dan waar ze ooit om vroeg. |
| Van alles gaf hij haar twee paar; |
| de blauwe kleren nam ze daar, |
| fijn van snit en goed van pas. |
| en zo vriendelijk als hij was… |
| 275 | Hij lachte: 'Lief, dit hemelsblauw |
| staat beter dan dat kloostergrauw.' |
| Twee kousen trok ze aan, |
| twee Cordoba-schoenen, welgedaan, |
| die haar zoveel beter stonden |
| 280 | dan die sandalen, met linten gebonden. |
| Hij wilde haar ook verblijden |
| met sluiers van witte zijde, |
| die ze over haar hoofd heenhing. |
| Nu kuste haar de jongeling |
| 285 | vriendelijk op haar mond. |
| Het leek hem, toen ze voor hem stond, |
| of de zon al was gaan stralen. |
| Vlug is hij zijn paard gaan halen |
| en heeft haar vóór zich in 't zadel gezet |
| 290 | en ze reden, door geen mens belet |
| aan één stuk door tot het ging dagen |
| en ze geen achtervolgers zagen. |
| Toen het al licht werd in het oosten, |
| zei ze: 'God, die de wereld kan troosten… |
| 295 | laat Uw zegen op ons dalen. |
| Ik zie de eerste zonnestralen: |
| was ik het klooster nog niet uit, |
| ik had de ochtendklok geluid, |
| was als eerste in 't koor gekomen |
| 300 | in dat klooster met zoveel vromen. |
| Mijn reis zal mij misschien berouwen, |
| de wereld is zo slecht te vertrouwen |
| en ik krijg mijn deel daarvan. |
| De wereld lijkt op een handelsman |
| 305 | die waardeloze kermisdingen |
| aan de man brengt als gouden ringen.' |
| |
| 'Hemels mooi meisje, zo moet je niet praten. |
| als ik jou ooit zou verlaten, |
| dan moge God mij kwellen. |
| 310 | Ik zal je altijd vergezellen, |
| in voorspoed en grote nood, |
| niets kan ons scheiden dan de dood. |
| Waarom twijfel je aan mij? |
| Kwade trouw was er nooit bij |
| 315 | en op jou was ik nog nooit boos. |
| Sinds ik jou als de liefste koos, |
| liet ik zelfs geen keizerinnen |
| meer in mijn gedachten binnen. |
| Wou er zo een met me leven, |
| 320 | 'k zou aan jou de voorkeur geven. |
| Ons kan weinig overkomen, |
| ponden heb ik meegenomen, |
| geld genoeg voor een paleis. |
| Wees een dame, tot elke prijs. |
| 325 | Al gaan we naar Parijs of Wenen, |
| ik zal geen geld hoeven te lenen |
| nog in geen zeven jaren.' |
| Ze zagen plotseling waar ze waren: |
| aan de zoom van een prachtig bos. |
| 330 | De vogels zongen er lustig op los, |
| zodat je hun verliefd chanson |
| ver in de omtrek horen kon. |
| Elk zong zoals 't hem mocht gebeuren. |
| En bloemen in hun felle kleuren |
| 335 | waren op 't groene veld ontloken, |
| zo mooi, en die zo heerlijk roken. |
| Onder de heldere, wonderschone |
| hemel stonden veel fraaie bomen, |
| allemaal rijk gevuld met blaren. |
| 340 | Nu ging de jongen iets verklaren |
| dat hij al heel lang in zich droeg. |
| 'Liefste,' zei hij, ''tis hier mooi genoeg |
| om wat te dwalen en bloemen te plukken |
| en de dingen te doen die het hart verrukken: |
| 345 | 't is hier geschikt voor het minnespel.' |
| 'Boerenkinkel,' zei ze, 'wat denk je wel! |
| Moet ik vrijen in 't open veld, |
| zoals vrouwen het doen, voor geld |
| met hun ordinaire lijven? |
| 350 | Ik zou niet weten waar ik moest blijven |
| van schaamte. Nu weet ik, vent, |
| dat je een boerenhufter bent. |
| God zal je om dit voorstel haten |
| en met zo iemand heb ík me ingelaten. |
| 355 | Nou ja, als je 't maar niet zult herhalen. |
| Hoor! De vogeltjes in de dalen, |
| hoor ze zingen en hoe ze kwelen, |
| dan hoef je je niet te vervelen. |
| Als ik bij je ben en naakt |
| 360 | op een bed, goed opgemaakt, |
| doe dan al wat je behaagt, |
| alles waar je hart om vraagt, |
| maar je maakt me witheet van binnen |
| door er hier over te beginnen.' |
| |
| 365 | Hij zei: 'Liefste, wees niet meer kwaad. |
| Ik luisterde naar Venus' raad. |
| God geve me schande en plagen |
| als ik er ooit weer van zal gewagen.' |
| Ze zei: 'ik vergeef het je dan. |
| 370 | Je bent voor mij de enige man |
| van al wie er op aarde wonen. |
| Al leefde Absalom, de schone, |
| en al zou hij mij verklaren |
| dat ik met hem duizend jaren |
| 375 | in weelde en rust zou mogen leven, |
| ik zou jou er niet voor geven. |
| Liefste, ik heb jou uitverkoren. |
| Geen die over mij zal horen |
| dat ik jou ooit was vergeten. |
| 380 | Was ik in 't hemelrijk gezeten |
| en jij hier beneden, |
| ik kwam naar jou met rasse schreden. |
| Oei…God, laat het ongewroken |
| dat ik zo dwaas heb gesproken: |
| 385 | aan de blijdschap in het hemelrijk |
| is hier geen enkele vreugde gelijk. |
| Daar is de minste zo volmaakt |
| dat hij naar niets anders haakt |
| dan zijn gezicht naar God te wenden. |
| 390 | Al het aardse is ellende, |
| het beste op aarde haalt het niet |
| bij het minste dat men daar ziet. |
| Wie dat beseffen, leven goed. |
| Dat weet ik, ook nu 'k dwalen moet |
| 395 | en mij in zonden ga begeven, |
| lieveling, door met jou te leven.' |
| |
| Aldus verliepen hun gesprekken. |
| Ze zijn door berg en dal gaan trekken |
| en daar is zoveel meer geschied, |
| 400 | dat zeg ik allemaal maar niet. |
| Een lange reis was dat, |
| toen kwamen ze bij een stad |
| in een van de mooiste dalen. |
| Daar konden ze hun hart ophalen: |
| 405 | een aantal jaren, en wel zeven, |
| hadden ze daar een luxe leven |
| en bedreven de liefde samen |
| zodat er twee kinderen kwamen. |
| Maar toen ze na die zeven jaren |
| 410 | door al hun geld heen waren, |
| toen moesten ze van alles belenen |
| en toen, achter elkaar, verdwenen |
| kleren, sieraden en paarden: |
| alles verkocht voor de halve waarde, |
| 415 | heel hun welvaart naar de maan. |
| Ze hadden geen middelen van bestaan: |
| zij kon zelfs geen garen spinnen |
| om de kost ermee te winnen. |
| Daarbij: er kwamen steeds hogere prijzen |
| 420 | voor bier en wijn en alle spijzen, |
| voor al wat je drinken kon of bijten. |
| En toen kwamen de verwijten. |
| Ze waren allebei liever dood |
| dan te gaan bedelen om brood. |
| 425 | De armoede spaarde hun liefde niet |
| al deed het hun beiden veel verdriet. |
| De man brak al zijn dure eden |
| en liet haar in de narigheden, |
| is naar zijn eigen land getogen |
| 430 | en was voor altijd uit haar ogen. |
| Zij moest het met haar wondermooie |
| twee kinderen maar zien te rooien. |
| |
| Ze zei: 'Het is precies gegaan |
| als ik vreesde van het begin af aan. |
| 435 | Ik ben nu in alle staten, |
| want diegene heeft mij verlaten |
| op wie ik mij altijd verliet. |
| Maria, Vrouwe, vergeet mij niet, |
| bid voor ons drieën, hemelse bode, |
| 440 | dat de honger ons niet kan doden. |
| Nu mijn bestaan in duigen viel, |
| moet ik mijn lichaam en mijn ziel |
| bevlekken met zondige daden. |
| Maria, Vrouwe, heb genade. |
| 445 | Ook al kon ik garen spinnen, |
| wat zou ik ermee winnen? |
| In twee weken en half brood. |
| Ik moet.gedwongen door de nood, |
| buiten de stad, in't open veld |
| 450 | mijn lichaam verkopen voor geld |
| om eten te kunnen krijgen, |
| want ik moet toch mijn eigen |
| kinderen te eten geven?' |
| Zo ging ze in een zondig leven, |
| 455 | want men vertelt, en het is waar, |
| dat ze gedurende zeven jaar |
| als publieke vrouw in het leven ging |
| en menige zonde ontving |
| door aan wildvreemde lieden |
| 460 | haar lichaam aan te bieden. |
| Ze vond er weinig genoegen in, |
| ze deed het voor een schamel gewin, |
| waarmee ze haar kinderen te eten gaf. |
| Ik zie ervan af |
| 465 | haar zonden te beschrijven, onnoemelijk zwaar, |
| waar ze in leefde, veertien jaar. |
| Maar één ding vergat ze niet |
| in al haar ellende en verdriet: |
| ze bad alle dagen in vol vertrouwen |
| 470 | de zeven getijden van Onze Lieve Vrouwe. |
| Dat deed ze om Maria te eren: |
| die kon haar terug doen keren |
| uit de zondige daden |
| waarmee ze was beladen |
| 475 | al een volle veertien jaar |
| en dat is maar al te waar. |
| Zeven jaar was ze met een man, |
| daar kwamen twee kinderen van, |
| hij liet haar in de ellende, |
| 480 | zodat ze niets dan zorgen kende. |
| De volgende zeven hebt u ook gehoord, |
| maar hoe zette ze haar leven voort? |
| |
| De veertien jaren waren voorbij. |
| Toen gaf God haar berouw, zodat zij |
| 485 | zich schuldig voelde en zo bezwaard |
| dat ze liever met een scherp zwaard |
| haar hoofd eraf had laten slaan |
| dan dat ze meer zonden had begaan, |
| haar lichaam nog langer had bevuild. |
| 490 | Dag en nacht heeft ze zo gehuild |
| dat haar ogen maar zelden droogden. |
| Ze zei: 'Maria, die God zoogde, |
| bron van genade boven alle vrouwen, |
| laat mij niet nog langer rouwen. |
| 495 | Vrouwe, U hebt ondervonden |
| dat ik spijt heb van mijn zonden |
| en U weet, ze doen me zeer. |
| Er waren er zoveel, ik weet niet meer |
| waar ik ze deed en met wie allemaal. |
| 500 | Helaas! Ze worden me fataal, |
| want nu God me uit het oog heeft verloren, |
| op de dag dat de zonden blijken |
| van de armen zowel als de rijken: |
| 505 | als alle misdaden worden gewroken |
| die niet in een biecht werden besproken |
| en waarvoor geen boete is gedaan. |
| Daar is geen enkele twijfel aan |
| en daarvoor vrees ik al mijn dagen. |
| 510 | Al zou ik een haren kleed gaan dragen |
| en er in gaan kruipen, om te boeten, |
| van land naar land, op handen en voeten, |
| barrevoets, zonder kous of schoen, |
| het zou niet zoveel goed kunnen doen |
| 515 | dat mijn schuld me dan verliet. |
| Maria, waarom troost U me niet? |
| Bron van genade, boven alles verheven,. |
| die alle mensen hoop kan geven: |
| Theophilus is er een voorbeeld van. |
| 520 | Geen groter zondaar dan die man, |
| die zowel zijn ziel als zijn leven |
| aan de duivel in leen had gegeven |
| en alles deed wat de duivel wou |
| en toch door U verlost werd, o, Vrouw. |
| 525 | Al ging ik ook door alles heen |
| en word ik geminacht door iedereen, |
| wat voor een leven ik ook had, |
| Vrouwe, U weet het toch, ik bad |
| voor U altijd weer mijn gebeden. |
| 530 | Veracht mij niet om mijn verleden, |
| want hoe meer me dat zal bedroeven, |
| des te meer zal ik Uw hulp behoeven. |
| Ik vertrouw toch met reden: |
| niemand heeft vergeefs gebeden |
| 535 | van wie er dagelijks baden |
| 'Ave Maria, vol van genade.' |
| Wie U hun gebed doen horen, |
| ze weten al van tevoren |
| dat er troost komt en erbarmen: |
| 540 | U ontvangt ons in Uw armen, |
| Gods uitverkoren bruid! |
| Uw Zoon toch stuurde een bode uit, |
| in Nazareth heeft hij U gevonden, |
| met een bericht, nooit eer verzonden, |
| 545 | en nog nooit van een bode gehoord: |
| dat Gij volgens dit heilig woord |
| gezegend onder de vrouwen zijt. |
| Daardoor bent U nog steeds verblijd, |
| en spreekt iemand U aldus aan, |
| 550 | al leidt hij nog zo'n zondig bestaan, |
| U maakt hem geen verwijten |
| en zult bij Uw Zoon voor hem pleiten.' |
| Zo bad de zondares alle dagen, |
| zo bleef ze almaar smeken en klagen. |
| 555 | Ze nam een kind in elke hand |
| en zo trok ze door het hele land, |
| bedelend of men wat wilde geven, |
| want ze moest van de aalmoezen leven. |
| Ze doolde net zo lang de wereld rond |
| 560 | tot ze bij toeval het klooster vond |
| waar ze verbleven had als non. |
| Ze is na 't laatste licht van de zon |
| bij het huis van een weduwe aangekomen |
| waar ze vroeg om een onderkomen |
| 565 | omdat ze nu niet verder kon reizen. |
| 'Ik kan u echt de deur niet wijzen,' |
| zei de weduwe, 'met die twee schapen, |
| die al bijna lopen te slapen. |
| Rust daar maar even, |
| 570 | uw deel zal ik u geven |
| van wat God mij wilde schenken |
| om Zijn Moeder te gedenken.' |
| Met haar kinderen mocht ze daar eten |
| en nu zou ze heel graag weten |
| 575 | hoe in 't klooster de zaken stonden. |
| 'Beste vrouw,' vroeg ze onomwonden, |
| 'is dat daar het klooster van de edelvrouwen?' |
| 'Ja,' zei die, 'daar kunt u op vertrouwen |
| en u zult nergens een klooster betreden |
| 580 | met zoveel aanzien en kostbaarheden. |
| De nonnen die er habijten dragen, |
| u kunt het bij iedereen na gaan vragen, |
| die zijn zo rein en vol goede werken, |
| daar is niet dát op aan te merken.' |
| |
| 585 | En zij die bij haar kinderen zat, |
| ze zei: 'Waarom zegt u dat? |
| Ik hoorde nog geen week geleden |
| over zekere narigheden, |
| het waren hele vreemde zaken |
| 590 | en 't had met de kosteres te maken. |
| Iemand bezwoer me als echt waar |
| dat die hier voor veertien jaar |
| zomaar uit het klooster verdween |
| en dat niemand weet waarheen |
| 595 | en in welk land ze overleed.' |
| Toen werd de weduwe witheet |
| en zei: 'U zit uit uw nek te praten! |
| Ik zou het nu maar laten |
| om u zo over haar te uiten, |
| 600 | of u staat subiet weer buiten! |
| In de veertien jaar dat zij |
| kosteres was in de abdij, |
| heeft men haar, zo vlijtig is ze, |
| nog geen uur hoeven te missen |
| 605 | -of ze was dus ongesteld- |
| zodat wie kwaad van haar vertelt, |
| zich wel heel diep schamen moet. |
| Zij is zo zuiver van gemoed |
| als alle nonnen wensen mochten. |
| 610 | Als ze in alle kloosters zochten |
| tussen de Elbe en de Gironde, |
| denk dan maar niet dat ze iemand vonden |
| die het in vroomheid bij haar haalt.' |
| |
| Zij, die zo lang had gedwaald, |
| 615 | voelde een wonder in deze woorden |
| en ze zei: 'Als ik nou eens hoorde |
| hoe haar vader en moeder heten.' |
| Toen de vrouw haar dat liet weten, |
| wist ze dat die háár bedoelde. |
| 620 | Ach, God, hoe ze zich die nacht voelde, |
| huilend op de bedderand. |
| 'Niets,' zei ze, 'heb ik als pand |
| dan alleen mijn diep berouwen. |
| Help me dan, Maria, Vrouwe! |
| 625 | mijn zonden doen me wel zo'n pijn, |
| als er een hete oven zou zijn, |
| die zo verschrikkelijk gloeide |
| dat de vlammen er uitsproeiden, |
| ik zou er binnenlopen |
| 630 | als dat mijn zonden vrij kon kopen. |
| Heer, U vindt wanhoop uit den boze, |
| daarom ben ik geen radeloze. |
| Hoop op genade heb ik altijd, |
| al raak ik ook de schrik niet kwijt, |
| 635 | al leef ik ook in angst en beven. |
| Nooit kon er zo'n grote zondaar leven, |
| sinds U op aarde kwam |
| en de vorm van een mens aannam |
| en aan het kruis wilde bezwijken, |
| 640 | of U kwam hem de hand wel reiken |
| als hem zijn zonden echt berouwden: |
| ja, hij was alsnog behouden. |
| Dit deelt het evangelie ons mee |
| over die zondaar van de twee, |
| 645 | die aan Uw rechterzijde hing. |
| 't Is ons tot troost en leniging |
| dat U zijn ziel wilde behouden |
| zodra zijn zonden hem berouwden. |
| Ik vertrouw hierop, met reden, |
| 650 | want U zei: "Vriend, je zult heden |
| met mij mijn koninkrijk in gaan, |
| dat geef ik je te verstaan." |
| Ook Heer, maakte U openbaar |
| dat Gisemans de moordenaar |
| 655 | op 't allerlaatst om genade bad. |
| Geen goud gaf hij en ook geen schat |
| anders dan zijn berouw van zonden. |
| Uw genade is niet te doorgronden, |
| net zo min als men ooit iemand zag |
| 660 | die de zee leegschepte in één dag, |
| tot op de allerdiepste gronden. |
| Er was dus nooit zo'n grote zonde |
| of Uw genade ging die te boven. |
| Dus ook voor mij, zo wil ik geloven, |
| 665 | geldt Uw grenzeloze barmhartigheid, |
| want ik heb grote, grote spijt.' |
| |
| Midden in deze gebeden |
| kwam een slaap over al haar leden |
| en toen is in haar dromen |
| 670 | het visioen gekomen |
| dat een heldere stem haar riep |
| waar ze lag en sliep: |
| 'Vrouw, je hebt zo lang gekermd |
| dat Maria zich heeft ontfermd |
| 675 | over jou en genade heeft afgebeden. |
| Je moet nu het klooster weer betreden. |
| Je vindt de deuren wijd open |
| waar je ooit bent uitgelopen |
| met de man die jou liefde bood, |
| 680 | maar je in de steek liet in de nood. |
| Je habijt met alles erop en eraan |
| moet je op het altaar zoeken gaan. |
| Trek pij en sandalen aan, doe meteen |
| ook de sluier weer om je heen. |
| 685 | Bedank nu Maria maar. |
| De sleutels van de sacristie zijn daar |
| waar je ze voor het beeld ophing, |
| die nacht dat je uit het klooster ging. |
| Maria kon ze zo bewaren |
| 690 | dat de mensen jou die veertien jaren |
| zelfs geen ogenblikje misten, |
| niets van je verdwijning wisten. |
| Maria houdt je zo te vriend |
| dat ze aldoor voor je heeft gediend |
| 695 | in jouw gedaante en jouw kleren. |
| Zij, die de hemel mag regeren, |
| heeft dat, zondares, voor jou gedaan. |
| Je moet weer naar het klooster gaan, |
| waar niemand je bed heeft ingenomen. |
| 700 | Dit bericht is van God gekomen.' |
| |
| Toen hij dit duidelijk had gemaakt, |
| is ze onmiddellijk ontwaakt |
| en zei: 'God, die de wereld bouwde, |
| U moet de duivel nu weerhouden |
| 705 | van 't brengen van meer droefenis |
| dan er al is. |
| Wat zouden ze in 't klooster zeggen? |
| als ze me vingen als dievegge, |
| kwam ik in nog veel meer verdriet |
| 710 | dan toen ik de abdij verliet. |
| Ik smeek U, Heer, zo wijs en goed, |
| bij het kostelijke bloed |
| dat aan 't kruis Uw zij uitliep, |
| laat de stem die mij riep |
| 715 | -als die werkelijk is gekomen |
| tot mijn voordeel- toch niet schromen |
| zich nog eens te openbaren, |
| ja, laat die drie keer verklaren |
| dat ik echt van nu af aan |
| 720 | naar het klooster terug mag gaan. |
| Dan zegen ik U daarboven |
| en zal Maria altijd loven.' |
| |
| En de volgende nacht… nu luister… |
| Kwam er een stem uit het duister |
| 725 | Die haar deze boodschap bracht: |
| 'Vrouw, nu niet te lang gewacht! |
| Ga meteen weer in je klooster, |
| dan is God voortaan je trooster. |
| Doe wat Maria je gebiedt: |
| 730 | ik ben haar bode, twijfel niet!' |
| Toen ze de stem, tot haar gekomen, |
| ten tweede male had vernomen |
| met het bevel in 't klooster te gaan, |
| toen durfde ze het nog niet aan. |
| 735 | De derde nacht dacht ze bij zichzelf: |
| 'Misschien heeft een boosaardige elf |
| een grap met me uit willen halen. |
| 'k Zal met gelijke munt betalen |
| aan de duivel met al zijn kracht. |
| 740 | Als hij hier komt, vannacht, |
| Heer, laat hem dan de kluts kwijtraken |
| en zich uit de voeten maken |
| eer hij mij nog meer schade doet. |
| Moeder Maria, wees zo goed |
| 745 | en laat mij weer de stem verstaan |
| die zegt dat ik in 't klooster moet gaan. |
| Om het kind dat U hebt gedragen, |
| Vrouwe, wil ik U dit vragen.' |
| |
| Ze bleef wakker, die derde nacht. |
| 750 | Een stem met goddelijke kracht |
| en door een schittering omgeven, |
| sprak: 'Zo kun jij niet verder leven. |
| Wat Maria jou via mij gebiedt, |
| waarom doe je dat toch niet? |
| 755 | Vrouw, je wacht al veel te lang. |
| Ga in 't klooster, wees niet bang, |
| je ziet er de deuren wijd openstaan |
| en waar je gaan wilt, mag je gaan. |
| Je habijt vind je aldaar, |
| 760 | want het ligt op het altaar.' |
| Dit sprak de stem met veel gezag |
| en toen werd de zondares die daar lag |
| door de glans bijna verblind |
| En zei: 'Wat ik hier bevind, |
| 765 | is werkelijk door God gezonden |
| en door Maria in orde bevonden. |
| Dit is geen leugen, dit is waar, |
| ik besef het zonneklaar. |
| Nu heb ik me voorgenomen |
| 770 | in het klooster terug te komen. |
| Ik zal op de troost vertrouwen |
| van haar, van Onze Lieve Vrouwe, |
| en mijn kinderen zullen beiden |
| leven onder Gods geleide, |
| 775 | zodat het goed met hen zal gaan.' |
| Toen heeft ze haar kleren uitgedaan |
| om haar kinderen daarmee toe te dekken, |
| zachtjes, om ze niet te wekken. |
| Ze kuste hen alletwee op de mond |
| 780 | en zei: 'Mijn kinderen, blijf gezond. |
| in de troost van Onze Lieve Vrouwe |
| laat ik jullie achter, in goed vertrouwen. |
| 'k Had zonder Maria als advocate |
| jullie hier niet achtergelaten, |
| 785 | niet voor alle schatten van Rome.' |
| Hoor, wat haar verder is overkomen. |
| |
| In tranen heeft de kinderloze |
| de kortste weg naar het klooster gekozen. |
| Ze is door de boomgaard heengelopen |
| 790 | en vond er een zijpoortje open. |
| Daar liep ze dan, heel snel. |
| 'Maria, dank U wel. |
| Nu ben ik binnen de muren, |
| geef mij geen nieuw verdriet te verduren.' |
| 795 | Waar ze kwam heengelopen, |
| stond de deur wijd voor haar open. |
| Ze is in de kerk gegaan |
| en sprak God zachtjes aan: |
| 'Lieve Heer, dit wil ik vragen: |
| 800 | help mij het habijt weer dragen |
| dat ik neerlegde, voor veertien jaar, |
| op het Onze Lieve Vrouwe-altaar, |
| de nacht dat ik de abdij verliet.' |
| Wat ik nu zeg, lieg ik niet, |
| 805 | 805 al kan ik het niet verklaren: |
| sluier, pij en sandalen waren |
| er onaangeroerd gebleven |
| sinds ze wegging uit dat leven. |
| Vlug ging zij zich daarin kleden |
| 810 | en toen heeft ze dit gebeden: |
| 'Goede God, en Maria, zo rein, |
| wel gezegend moet U zijn. |
| U, de bloem van alle deugden, |
| die in maagdelijke vreugden |
| 815 | baarde, zonder wee of pijn, |
| wie voor altijd Heer zal zijn. |
| Ongemeten is Uw waarde, |
| Uw kind maakte hemel en aarde. |
| God heeft U 't gezag gegeven |
| 820 | dat wij dienen, heel ons leven. |
| Onze Heer, ons aller broeder, |
| Hij gehoorzaamt U als moeder |
| én mag U Zijn dochter heten, |
| tot grote troost voor wie dat weten. |
| 825 | Men kan U genade vragen |
| tot in de allerlaatste dagen. |
| Uw hulp is geweldig groot. |
| Ik had verdriet en was in nood, |
| maar U hebt het zo omgekeerd |
| 830 | dat me verblijdt wat me heeft bezeerd. |
| U te dienen is mijn verlangen.' |
| En toen zag ze de sleutels hangen |
| van de sacristie, waar ze die hing |
| voor ze de abdij verlaten ging. |
| 835 | Ze heeft de sleutels meegenomen |
| en ze is bij het koor gekomen, |
| waar ze lampen zag branden in alle hoeken. |
| Daarna liep ze rond met de boeken |
| tot ze allemaal op hun plekje lagen, |
| 840 | 80 zoals ze 't deed in vroeger dagen. |
| Tot Maria heeft ze gebeden |
| om hulp uit de narigheden, |
| om die twee, die ze achterliet |
| in het huis van de weduwe, in groot verdriet. |
| 845 | Van deze dag waren de uren gedaan: |
| het kleine uurwerk begon te slaan, |
| hetgeen de middernacht beduidde. |
| Ze nam het klokketouw en luidde |
| de mettentijd zo diepbewogen |
| 850 | dat alle nonnen hun bed uitvlogen, |
| die boven in de slaapzaal lagen, |
| zowel de vluggen als de tragen. |
| En zonder dat ééntje had kunnen horen |
| dat een ander hen wekte dan daags tevoren. |
| 855 | Ze bleef in het klooster, de rest van haar tijd. |
| Er was geen geroddel, geen enkel verwijt. |
| Maria was in haar plaats komen werken |
| en niemand had het verschil kunnen merken. |
| Zo was de zondares bekeerd |
| 860 | dank zij Maria, die elk vereert, |
| die de hemel mag regeren |
| en die zonder mankeren |
| haar vrienden weet te bereiken |
| als die onder zorgen bezwijken. |
| |
| 865 | De vrouw van wie u 't verhaal mocht horen, |
| is weer kloosterzuster als tevoren. |
| Maar vergeten we nu ook niet: |
| de kinderen die ze achterliet |
| in 't huis van de weduwe, in grote nood, |
| 870 | want daar was geen geld en ook geen brood. |
| Ik zou u liever maar besparen |
| hoe diep bedroefd ze waren |
| zo zonder moeder, en hoe geschrokken. |
| De weduwe heeft ze op schoot getrokken, |
| 875 | ze had verschrikkelijk medelijden. |
| Ze overdacht: ik ga met die beiden |
| me naar de abdij begeven, |
| waar God de abdis wel in zal geven |
| dat ze hen bij moet staan. |
| 880 | Ze deed hun de kleren en schoenen aan |
| en ging met hen naar de abdij. |
| Ze toonde ze aan de abdis en zei: |
| 'Zie de nood van deze twee wezen: |
| de moeder liet ze in angst en vrezen |
| 885 | in mijn huisje achter, 's nachts, |
| en verdween toen onverwachts, |
| naar weet ik waar in west of oost. |
| Ze liet de kinderen zonder troost. |
| Ik hielp ze graag, als ik wist hoe.' |
| 890 | De abdis sprak haar toe: |
| 'Laat ze bij u blijven wonen, |
| ik zal u daarvoor belonen, |
| daarvoor hoeft u niet te vrezen, |
| want ons potje voor de wezen |
| 895 | kan heus nog wel wat verduren. |
| U moet daags een bode sturen |
| die drinken voor hen haalt en eten. |
| Ontbreekt hen iets, laat me dat weten.' |
| De weduwe was blij |
| 900 | met wat de abdis haar zei. |
| Ze heeft de kinderen weer meegenomen, |
| dus die zijn goed terechtgekomen. |
| De moeder, die hen eens mocht zogen, |
| en pijnen om hen moest gedogen, |
| 905 | voor haar was het een opluchting |
| dat het hun zoveel beter ging, |
| die twee, die ze zoveel verdriet |
| bezorgde, toen ze hen verliet. |
| Dat het goed ging met die kinderen, |
| 910 | deed haar zorgen flink verminderen. |
| Ze leidde voortaan een vroom leven, |
| met nog heel wat zuchten en beven, |
| zowel 's nachts als overdag |
| als ze haar leven overzag |
| 915 | en berouw had van haar zonden, |
| die niemand kon doorgronden, |
| die voor de wereld verborgen bleven |
| en die ze niet heeft opgeschreven. |
| |
| Hierna kwam er op een dag |
| 920 | een abt, die men daar vaker zag: |
| hij inspecteerde alle jaren |
| het klooster, of daar dingen waren |
| die niet door de beugel konden. |
| Eens per jaar deed hij zijn ronde. |
| 925 | De dag dat de abt in 't klooster zat, |
| lag de zondares in het koor en bad |
| haar gebed in de stilte daar. |
| Twijfels overvielen haar: |
| de duivel had haar schaamte gegeven |
| 930 | om te maken dat ze haar leven |
| niet aan de abt zou openbaren. |
| Toen ze daar zo lag te staren, |
| zag ze een jongeling die daar schreed, |
| helemaal in het wit gekleed. |
| 935 | Op zijn arm droeg hij een bloot |
| klein kind, het leek haar al dood. |
| De jongeling gooide een paar keer |
| een appel op en ving hem weer |
| om het kindje te vermaken. |
| 940 | Dit moest haar in 't hart wel raken, |
| die daar zo heel stilletjes bad. |
| 'Vriend,' zei ze, 'wat betekent dat? |
| Als u gezonden bent van God, |
| dan vraag ik u bij Zijn gebod |
| 945 | dat u me de reden leert |
| waarom u 't kindje amuseert |
| met die appel, zo mooi rood |
| het kind op uw arm is toch dood? |
| Hij merkt niet wat u voor hem doet.' |
| 950 | 'Zeker, non, dat zie je goed. |
| De vreugde van het spelen |
| kan dit kind niet meer delen, |
| het is dood en hoort noch ziet. |
| En precies zo … weet God ook niet |
| 955 | dat jij gebeden zegt en vast. |
| Het helpt je echt geen barst, |
| het kan je geen goeds bereiden, |
| net zo min als je zelf kastijden. |
| Jij leeft nog zo in zonden voort |
| 960 | dat God je gebeden niet hoort, |
| daar waar hij is gezeten. |
| Daarom moet je dit weten: |
| maak voort, non, en benader |
| de abt. Hij is een vader, |
| 965 | biecht je zonden zonder te liegen, |
| laat de duivel je niet bedriegen. |
| Al wat je de abt komt melden, |
| kan hij je kwijt doen schelden, |
| maar waar je niet van wilt spreken, |
| 970 | dat zal God vreselijk op je wreken!' |
| De jongeling hoefde niet méér te betogen |
| en ging voor altijd uit haar ogen, |
| maar 't was goed: ze begreep hem toch? |
| En diezelfde ochtend nog |
| 975 | is ze bij de abt gekomen |
| opdat haar de biecht werd afgenomen. |
| Hij was wijs en welgezind |
| en hij zei: 'M'n lieve kind, |
| dat weiger ik natuurlijk niet. |
| 980 | Als jij je zonden overziet |
| en overdenkt, zal ik ze horen.' |
| Naar waar niemand hen kon storen |
| hebben ze zich toen begeven |
| en ze vertelde hem heel haar leven, |
| 985 | alles wat haar was overkomen: |
| hoe haar verstand haar was ontnomen |
| door liefde, dat ze in dwaze grillen |
| niets anders had te willen |
| dan 't habijt toe te vertrouwen |
| 990 | aan 't altaar van Onze Lieve Vrouwe |
| om te vertrekken met een man. |
| Daar kwamen twee kinderen van. |
| Van alles wat haar was geschied, |
| verzweeg ze zelfs het ergste niet. |
| 995 | Alles wat haar had verward, |
| biechtte ze uit de grond van haar hart. |
| En de abt, die dat daar hoorde, |
| die vrome vader sprak de woorden: |
| 'Dochter, ik zal je absolveren, |
| 1000 | van de zonden die je deren, |
| die je pijn doen, sinds lange tijd. |
| Gods moeder zij gebenedijd |
| en boven alles geloofd.' |
| Hij legde een hand op haar hoofd, |
| 1005 | waarmee de zonde van haar week. |
| Hij zei: 'Ik zal in een preek |
| de mensen van je biecht berichten, |
| maar ik zal het zo verdichten |
| dat niemand op 't idee zal komen |
| 1010 | dat het jou en je kinderen is overkomen: |
| niemand zal een vermoeden krijgen. |
| Het zou niet goed zijn om dit te verzwijgen, |
| dit mooie wonder, dat de Here |
| voltrok om Zijn moeder te eren. |
| 1015 | Ik zal 't verkondigen, overal, |
| want door dit verhaal toch zal |
| menige zondaar zich bekeren |
| en Onze Lieve Vrouwe eren.' |
| |
| Hij ging 't klooster onderwijzen, |
| 1020 | eer hij weer naar huis moest reizen, |
| wat er met een non was geschied. |
| Wie ze was, daar zijn ze niet |
| in de verste verte achtergekomen. |
| De abt heeft afscheid genomen |
| 1025 | en hij nam de non haar beide |
| kinderen onder zijn geleide. |
| Hij gaf ze beiden een grauwe pij |
| en vrome mannen werden zij. |
| Hun moeder heette Beatrijs. |
| 1030 | Aan God alle lof en prijs |
| en aan Maria, die Hem zoogde |
| en die met dit wonder beoogde |
| te tonen dat ze helpt in de nood. |
| Laten wij bidden, klein en groot |
| 1035 | aan wie dit wonder is voorgedragen: |
| dat het Maria moge behagen |
| onze voorspraak te zijn in het zoete dal |
| waar God de wereld oordelen zal. |
| |
| Amen. |
|
|