|
|
Jean-Jacques Rousseau, Jean Néaulme en de uitgave van de Emile
Judith Grootendorst
Toen Jean-Jacques Rousseau (1712-1794) zijn Emile ou De l'éducation schreef, vanaf mei 1759, woonde hij in Montmorency bij Parijs, dichtbij het kasteel Montmorency, woonplaats van de heer en mevrouw de Luxembourg. Mevrouw de Luxembourg zou een belangrijke rol spelen bij de uitgave van de Emile.
Na lang aandringen van de heer en mevrouw de Luxembourg bracht Rousseau uiteindelijk een bezoek aan hun kasteel. Maar hij had moeite gespreksonderwerpen te vinden, en daarom las hij mevrouw de Luxembourg voor uit zijn werk, eerst uit zijn net met veel succes uitgebrachte Julie ou la Nouvelle Héloïse en daarna uit de Emile. Mevrouw de Luxembourg was van de Emile eigenlijk niet erg onder de indruk, maar ze stelde hem toch voor het boek voor hem uit te geven. Rousseau vond dat goed, al stond hij erop dat het in Nederland zou worden gedrukt. Hij had immers het merendeel van zijn teksten in Nederland laten drukken. Hij dacht nu aan de uitgever Jean Néaulme in Amsterdam, die hij had leren kennen via een bevriende boekhandelaar bij hem in de buurt.
Mevrouw de Luxembourg was van mening dat het boek geen enkel gevaar liep en dus rustig in Frankrijk gedrukt kon worden. Na overleg hierover met de heer Malesherbes, chef van de koninklijke censuur, die evenmin moeilijkheden voorzag, besloot zij het manuscript naar de Parijse uitgever Nicolas-Bonaventure Duchesne te sturen. Er werd overeengekomen dat Duchesne het boek zou uitgeven voor de Franse markt en Jean Néaulme voor de Hollandse, Duitse en Engelse markt. Duchesne zou daartoe zijn gedrukte bladen in gedeelten naar Néaulme opsturen. Op deze manier werd het boek dus op twee plaatsen tegelijk gedrukt, in Parijs en in Amsterdam. Rousseau was daar eigenlijk niet gelukkig mee. In zijn Confessions (1770), zijn memoires, doet hij uitgebreid verslag van de perikelen rond het uitgeven van het boek en hij klaagt erover dat hij zijn eigen tekst niet meer in de hand had. Zo duurde het drukken bij Duchesne onmogelijk lang en bij Néaulme daardoor nog langer, zozeer dat Rousseau er een complot tegen zijn persoon in zag. Steeds kreeg hij drukproeven teruggestuurd en moesten er, volgens de regels der censuur, "cartons" geplakt worden over passages die niet correct geacht werden.
Jean Néaulme kreeg op 10 maart officieel goedkeuring van de Staten-Generaal om het boek uit te brengen. In Frankrijk gingen echter steeds luidere geruchten rond dat het boek verboden zou worden. Toen dan op 27 mei 1762 het boek eindelijk uitkwam bij Duchesne, had de Franse drukker voor de zekerheid niet zijn eigen naam in het impressum gezet, maar die van Jean Néaulme in Den Haag: A la Haye, chez Jean Néaulme, libraire, 1762, compleet met het privilege van de Staten-Generaal.
Jean Néaulme had zijn boekwinkel in 1762 echter allang niet meer in Den Haag. Hij had daar alleen nog zijn kraam in de Groote Zaal op het Binnenhof, maar zijn boekwinkel op de Plaats had hij al in 1754 verruild voor Amsterdam. Zou Duchesne zich van zijn vergissing bewust zijn geweest? Vast staat dat enige tijd later nog een uitgave bij Duchesne verscheen, nu in twaalven en met het adres van Jean Néaulme in Amsterdam.
Nog weer iets later kwam in Amsterdam de Emile daadwerkelijk bij Jean Néaulme uit, in octavo, nagedrukt van de eerste editie van Duchesne.
Toch waren ook Jean Néaulme de geruchten ter ore gekomen van een mogelijk verbod en hij had daarover enkele brieven naar Rousseau gestuurd. Rousseau had hem echter verzekerd dat hij geen gevaar hoefde te vrezen. Tot op het laatst bleef Rousseau zich verlaten op het oordeel van mevrouw de Luxembourg en Malesherbes, dat er van censuur niets te duchten viel, zelfs toen hij het advies kreeg van zijn beste vrienden om zich nu toch maar snel uit de voeten te maken. Intussen zwegen mevrouw de Luxembourg en Malesherbes over de zaak.
Op 9 juni 1762 werd de Emile officieel verboden door het Parlement in Parijs, omdat, zo luidde het oordeel, de auteur daarin een opvoeding propageert die alleen gebaseerd is op de wetten van de natuur en die geheel voorbij gaat aan het belang van het christelijke geloof. De hele oplage van de uitgave van Duchesne moest worden verbrand en de auteur werd officieel in staat van beschuldiging gesteld. Op aandringen van mevrouw de Luxembourg vluchtte Rousseau nog net op tijd naar Zwitserland. Toen hij net op weg was kwam hij een koets tegen met vier in het zwart geklede mannen die hem vriendelijk groetten. Dit waren de deurwaarders die hem zouden komen arresteren.
Op 30 juli trokken ook in Holland de Staten-Generaal hun octrooi in. Jean Néaulme kreeg een publicatieverbod en de Emile moest worden verbrand. Néaulme zou de tekst van Rousseau in 1764 nog één keer drukken, voor de zekerheid in Berlijn, onder de titel Emile chrétien en op naam van Jean-Henri-Samuel Formey, die echter hooguit enkele aantekeningen had toegevoegd.
De uitgave in octavo gedrukt bij Jean Neaulme in Amsterdam is nog niet bekend in de STCN, wel een roofdruk van de uitgave met als impressum Parijs, zogenaamd met permission tacite voor de boekverkoper. Ook werd de naam van Jean Neaulme nog een aantal jaren gebruikt voor Franse uitgaven. En dat alles terwijl Jean Neaulme waarschijnlijk niets meer met de Emile te maken wilde hebben.
|
 |
|
Titelpagina |
 |
|