|
In 1562 werd door de Spaanse koning Filips II (1527-1598) in het Noord-Franse Douai een katholieke universiteit gesticht. Eén van de doelstellingen hiervan was studenten de mogelijkheid te bieden zich de Franse taal, die in hoge en diplomatieke kringen zeer belangrijk was, eigen te maken zonder dat hiervoor doorgereisd hoefde te worden naar Franse universiteiten – met name Parijs en Orléans – waar het protestantisme zich een sterke positie had verworven. Helaas is het inschrijvingsregister van Douai niet bewaard gebleven, maar dat de universiteit al snel populair werd bij Nederlandse studenten blijkt vooral uit een aantal alba amicorum. De bakermat van het album amicorum – een boekje waarin studenten ter herinnering aan hun studietijd bijdragen verzamelden van medestudenten en hoogleraren – is Wittenberg. De Nederlanders hebben deze gewoonte vanaf 1564 buiten Duitsland opgepikt van Duitse studenten met wie zij traditioneel in groepsverband – de zogenaamde Natio Germanica – verenigd waren. Zowel Gerard van Hacfort als Poppe van Feytsma is
zijn album te Douai begonnen. Gerard verzamelde daar 35 en Poppe 22 bijdragen van Nederlandse en Duitse medestudenten, die vrijwel zonder uitzondering net als zijzelf van adel waren. De bijdragen zijn dan ook – op kosten van de inscriptoren – voorzien van fraai geschilderde geslachtswapens. Wat de alba zo bijzonder maakt is dat er in die jaren te Douai een handige wapenschilder zat die een gat in de markt ontdekte: bij hem kon je naast je wapen ook jezelf laten afbeelden. En zo bevat het album van Gerard drie en dat van Poppe zeven portretten van studenten, van wie bij sommige zelfs de littekens van het duelleren op het gezicht te zien zijn! Poppe kon het niet laten en sloot zijn studiereis af in het perfide Parijs, maar Gerard was ‘echt’ katholiek en trok na Douai door naar Italië, waar hij zich evenwel – getuige een reeks plaatjes van Italiaanse schonen, Venetiaanse gondels e.d. – vooral aan wereldse genietingen overgaf.
(KT)