Briefwisseling van Abraham Ortelius - Klik voor een uitvergroting
Volgende pagina

Gekocht van Antiquariaat H.P. Kraus, New York
Verwerving 1994
Datering 1549-1607
Formaat Diverse formaten
Signatuur 79 C 4

Abraham Ortelius (1527-1598) staat te boek als cartograaf. Zijn naam is verbonden aan de atlas Theatrum orbis terrarum, die in 1570 te Antwerpen verscheen. Ortelius was echter niet zozeer een ambachtelijke kaartenmaker, maar meer een geleerde eindredacteur of editeur. Hij is er als eerste in geslaagd de beschikbare kennis over de wereld weer te geven op kaarten van eenzelfde afmeting, die binnen één band samen te voegen en via de drukpers te verspreiden. Ortelius maakte voor zijn kennis gebruik van een zeer uitgebreid netwerk van correspondenten. De correspondentie waar het hier over gaat, laat dit netwerk zien.
In 35 van de 163 brieven worden titels van boeken genoemd. Dit gebeurt wanneer ze – met dank voor het lenen – worden teruggestuurd, maar ook als er sprake is van een nieuwe, betere bron voor informatie over landen of steden. Veel brieven begeleiden voor Ortelius gekochte boeken. Hij vulde zijn bibliotheek aan door agenten boeken te laten kopen te Madrid, Rome, Venetië (uitgaven van Aldus Manutius), Londen, Keulen, Leiden en natuurlijk op de

Venetië (uitgaven van Aldus Manutius), Londen, Keulen, Leiden en natuurlijk op de Frankfurter Buchmesse. Nogal wat briefschrijvers vragen Ortelius om commentaar op een manuscript of om voorspraak bij een drukker/uitgever, bij Plantijn bijvoorbeeld.
Zeer persoonlijk spreekt Ortelius in zijn brieven tot zijn neef en erfgenaam Jacob Cool. Zijn laatste brief aan hem eindigt met de woorden: ‘Vaarwel, ik schrijf niet meer, want ik ben elke dag meer stervende’. Deze brief is van 24 januari 1598. Op 28 juni van dat jaar overlijdt de geleerde.
Cool schonk de correspondentie van Ortelius aan de Dutch Church van Austin Friars te Londen. In de negentiende eeuw werd deze briefwisseling uitgegeven door J.H. Hessels. Ze telt daarin 322 nummers. In 1955 heeft de Dutch Church de brieven uit financiële nood moeten verkopen. Ongeveer de helft van deze correspondentie maakt nu deel uit van de Koninklijke Bibliotheek-collectie. De andere helft is tussen 1955 en 1994 verspreid geraakt.

(AL)