|
Een middeleeuws getijdenboek is een handschrift dat particulieren gebruikten bij het belijden van hun persoonlijke devotie, met name tijdens het gebed. Het bevat dikwijls een kalender en enkele vaste teksten. De miniaturen in dit getijdenboek zijn gemaakt in Haarlem, een belangrijk centrum voor kunst in de vijftiende eeuw. Enkele van de belangrijkste paneelschilders uit de Noordelijke Nederlanden, onder wie Albert van Ouwater en Geertgen tot Sint Jans, waren in die tijd in Haarlem actief. De stad telde ongeveer 24 kloosters en religieuze huizen, waarvan er vele handschriften produceerden. Er moeten ook veel ateliers zijn geweest waar boeken werden geschreven en versierd met penwerk en miniaturen. De miniaturen in dit handschrift zijn vervaardigd door de Meesters van de Haarlemse Bijbel, een groep schilders die hun naam ontlenen aan een driedelige Bijbel, die zich in het begin van de zeventiende eeuw in de commanderij van Sint Jan in Haarlem bevond en die nu wordt bewaard in de Stadsbibliotheek van Haarlem.
Alle afbeeldingen in dit handschrift zijn geschilderd op losse bladen, die naderhand in het boek zijn ingevoegd. Vermoedelijk zijn de miniaturen op verkeerde plekken terechtgekomen toen het handschrift in de zeventiende eeuw werd herbonden. Deze afbeelding van Pinksteren zou bijvoorbeeld aan de Getijden van de Heilige Geest moeten voorafgaan, maar in plaats daarvan staat zij tegenover het begin van de Lange Kruisgetijden, een tekst die gewoonlijk wordt ingeleid met een afbeelding van Christus aan het kruis.
Uitzonderlijk aan dit handschrift is dat de bloemen en vlinders in de marges met een hoge mate van natuurgetrouwheid zijn geschilderd, direct op het perkament, op een manier die sterk afwijkt van eerdere decoratieve voorstellingen van flora en fauna. Op deze opening heeft de schilder een vlinder zo weergegeven dat het lijkt alsof het nietige beestje net is neergestreken op de bladzijde.
De miniatuur van Pinksteren, die een volle bladzijde beslaat, toont Maria in het midden met om haar heen de apostelen, omgeven door bordvormige aureolen. Hun opwinding kunnen ze nauwelijks bedwingen: ze zijn zo bezield dat ze amper binnen de randen van de miniatuur blijven. Het kalende hoofd van Petrus (rechts) steekt buiten de rand, doordat hij zijn stoel naar achter kiept om zijn armen hemelwaarts te heffen. De gouden stralen die bovenin de afbeelding ontspruiten, verlevendigen de scène nog meer.
(KR)