|
Sonia Delaunay speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het Franse kunstenaarsboek tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Samen met Blaise Cendrars maakte zij La prose du Transsibérien (1913) dat nu wordt beschouwd als het meest vernieuwende boek uit die tijd van elkaar snel opvolgende kunststromingen. Ook na de oorlog bleef zij actief en werkte zij regelmatig samen met een andere dichter, dadaïst Tristan Tzara.
Voor Le fruit permis (1956) maakte zij vier gouaches. Het zijn unieke schilderingen op papier, gemaakt in de pochoir-techniek: sjablonen waaruit het te schilderen vlak is weggesneden. Voor iedere kleur werd een sjabloon gemaakt en de combinatie moest dus van te voren als geheel worden overdacht. Die sjablonen liet zij meestal door anderen vervaardigen; het inschilderen met plakkaatverf (in andere boeken ook aquarel) is handwerk en dat deed ze zelf. De randen zijn met opzet rafelig. Delaunay wilde het manuele aspect benadrukken en vermeed mechanische lijnen. Alles is zichtbaar met een penseel bijgewerkt. De kleuren zijn ook nu nog buitengewoon fris, levendig en intens. Er werden zestig exemplaren gemaakt.
Delaunay (geboren in Oekraïne als Sonia Terk) ontwierp met de schilder Robert Delaunay een kleurentheorie, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waaruit naar voren kwam dat blauw naast groen voor ons oog anders is dan blauw naast rood en dat sommige kleurcontrasten een schijn van beweging veroorzaken. Deze theorie, het ‘simultanisme’, werkte met kleurcontrasten en dissonanten. Zij gebruikten eenvoudige basisvormen, zoals cirkel en vierkant. Delaunay bedacht duizenden variaties en decoreerde alles wat binnen handbereik kwam: quilts, boekbanden, kisten en kleding. Later ook theaterkostuums, gordijnen en tapijten voor Metz & Co., zelfs een auto – een Citroën – werd simultanistisch beschilderd. Een criticus merkte op dat Delaunay in haar ééntje in Frankrijk bereikte, waar men in Duitsland de hele Bauhaus-school voor nodig had.
(PVC)