Prof. dr. Frank van Vree, hoogleraar journalistiek & voorzitter van de afdeling Mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam, is als voorzitter van de Wetenschappelijke Adviescommissie betrokken bij de titelselectie voor de Databank Digitale Dagbladen.
Toen ik twee jaar geleden gevraagd werd toe te treden tot de Adviescommissie, hoefde ik niet lang na te denken. Niet alleen omdat ik de vraagstukken die samenhangen met de digitalisering van historische collecties en de schepping van nieuwe tools en digitale omgevingen vanuit wetenschappelijk oogpunt buitengewoon interessant vind, maar ook omdat ik met de krantencollecties zélf een jarenlange professionele band koester. Die betrokkenheid reikt terug tot het midden van de jaren zeventig, toen je nog speciale toestemming nodig had om de collecties in het oude depot van de Koninklijke Bibliotheek aan de Kazernestraat te mogen bezoeken. Als geschiedenisstudent, afgereisd uit Groningen, worstelde ik mij aan een wankele tafel tussen de stellingen door oude leggers, een wat sombere omgeving met als enige afleiding het opgewonden gepraat van twee zeer Haags sprekende medewerkers, die tevens optraden als gastheer c.q. liftbediende voor de spaarzame bezoekers.
Bij die bezoeken aan de Kazernestraat is het niet gebleven. De volgende decennia ben ik de collecties blijven volgen, eerst in het kader van mijn promotieonderzoek over de Nederlandse pers in het interbellum en haar houding tegenover het opkomende nazisme (De Nederlandse Pers en Duitsland) en later in verband met ander onderzoek, onder meer naar de journalistieke en politieke metamorfose van De Volkskrant in de jaren zestig en zeventig en de geschiedenis van de Haagse Courant. In die periode heb ik de opvolgende fasen in de ontwikkeling van de krantencollectie van de KB en andere instellingen zogezegd ‘bewust meegemaakt’: van de verhuizing, de overzetting op film en fiche en de nationale inventarisatie van kranten en tijdschriften tot de eerste digitaliseringprojecten.
In vergelijking met eerdere wendingen in de levensgeschiedenis van de collecties is het nu ingezette digitaliseringproject veel ingrijpender. Tijdens een conferentie in de aanloop van deze operatie heb ik betoogd dat digitalisering niet alleen een kwestie is van een kwantiteit, maar vooral ook van kwaliteit: er opent zich een perspectief op soorten onderzoek dat vroeger wat tijd en inspanning betreft feitelijk onmogelijk was. In een paar minuten tijd kunnen gegevens worden bovengehaald die vroeger alleen door jaren noeste arbeid zouden kunnen worden opgehaald. Alleen die verandering al vraagt om een opnieuw overdenken van onderzoeksvragen, concepten en strategieën – dat geldt voor historici net zo goed als voor taalkundigen. Daarnaast vraagt digitalisering om een nieuwe manier van denken waar het gaat om de toegankelijkheid en het gebruik door een breder publiek dan alleen professionele onderzoekers.
De vraag of de digitale collecties toekomst hebben, is eigenlijk overbodig. Met de huidige digitalisering staan we namelijk nog maar aan het begin. De tijd is niet ver meer, dat na het invoeren van een specifieke zoekterm niet alleen een krantenartikel, maar ook geluidsfragmenten, bewegende beelden en allerlei metadata verschijnen – en andersom. Daarvan zijn nu al interessante experimenten te vinden. Meer dan genoeg redenen dus om op de eerste rij te willen zitten!