Voor het ontsluiten van collecties werkt de Koninklijke Bibliotheek met een vaste infrastructuur. Deze infrastructuur sluit aan bij open standaarden en beproefde werkwijzen:
- Voor de beschrijvende metagegevens wordt Dublin Core gebruikt. Eigen elementen kunnen nodig zijn als de specifieke metagegevens niet in Dublin Core voorkomen. De beschrijvende metagegevens worden in XML-formaat opgeslagen.
- Voor de structurele metagegevens wordt MPEG21-DIDL gebruikt. Deze metagegevens leggen de hiƫrarchische relaties vast, die binnen het materiaal aanwezig zijn: bij een krant bijvoorbeeld bestaat een nummer uit pagina's en iedere pagina bestaat uit artikelen. In MPEG21-DIDL wordt eveneens vastgelegd welke bestanden hier bij betrokken zijn (afbeeldingen en tekstbestanden).
- De opmaak van een pagina (de verschillende zones, zoals plaatje, kolom, kop ect.) wordt met behulp van de segmenteringsstandaard ALTO opgeslagen.
- Alle bestanden zullen met persistente URL's benaderbaar zijn. Dat wil zeggen dat de URL niet verandert als de fysieke opslagplaats van het bestand wijzigt. Voor deze persistente URL's wordt gebruik gemaakt van een resolver die iedere URL vertaalt naar de fysieke bestandslocatie en het opgevraagde bestand doorstuurt naar de gebruiker.
- Het indexeren van de fulltext en van de beschrijvende metagegevens gaat met behulp van een K2-zoekmachine van Verity.
- Zoekvragen vanuit een webapplicatie worden niet rechtstreeks op de Verity-indexen gedaan. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het SRU-protocol, waarmee zoekvragen op gestandaardiseerde wijze in een URL kunnen worden opgenomen.