In 2005 is het tweehonderd jaar geleden dat de Deense schrijver Hans Christian Andersen werd geboren. Ter gelegenheid daarvan is een boek verschenen over de illustraties bij de Nederlandstalige sprookjes van Andersen, geschreven door kunsthistorica Saskia de Bodt, werkzaam aan de Universiteit van Utrecht.
Het boek is gepubliceerd door uitgeverij Terra Lannoo, in samenwerking met de KB en gebaseerd op de collectie van deze bibliotheek. Met meer dan 60 afbeeldingen in kleur geeft het boek een prachtig overzicht van illustratiekunst van 1846 tot heden. Er wordt aandacht besteed aan de illustratoren van de Nederlandse en Vlaamse edities van de sprookjes: onder meer Rie Cramer, Edmund Dulac, Elisabeth Ivanovsky, Theo van Hoytema en Charley Toorop.
Getekend, Hans Christian Andersen : zijn geïllustreerde sprookjes in de Lage Landen / door Saskia de Bodt. - Warnsveld : Terra Lannoo, 2005. – 96 p. – ISBN 90 5897 354 9 : € 17,95
Tentoonstelling
In het Veluws Museum Nairac is van 18 juni tot en met 29 oktober 2005 een tentoonstelling te zien, gemaakt in samenwerking met Saskia de Bodt en de KB: Getekend, Hans Christian Andersen : zijn geïllustreerde sprookjes in de Lage Landen.
Er is een selectie te zien van ruim 200 boeken uit een periode van anderhalve eeuw, die een beeld geven van de diverse wijze waarop Andersen de verschillende kunstenaars heeft geïnspireerd, evenals van de verschillende kunststromingen en opvattingen over wat goed was voor het kind. Beroemde buitenlandse illustratoren zoals Hans Tegner, Edmund Dulac en Arthur Rackham, evenals Nederlandse kunstenaars van formaat hebben voor prachtige illustraties gezorgd.
In de tentoonstelling worden twaalf van de meest geliefde sprookjes verteld aan de hand van verschillende illustratoren. Ook is er een groot aantal originele tekeningen te zien. Eén van de sprookjes wordt driedimensionaal en levensecht in scène gezet.
Ook zullen de verfilmde sprookjes van Andersen in de tentoonstelling te bekijken zijn. Behalve de sprookjesboeken en de originele tekeningen, kunnen kinderen – en volwassenen – de mooiste boeken in hun geheel digitaal doorbladeren. Voor kinderen is er een speurtocht.
Adres: Langestraat 13, 3771 BA Barneveld, tel. 0342 - 415 666.
www.nairac.nl
Saskia de Bodt schrijft over het onderzoek voor het boek:
Hans Christian Andersen, die heel beeldend formuleerde en ook zelf tekende, was zeer kritisch op de plaatjes bij zijn vertellingen. Tekst en beeld moesten met elkaar in evenwicht zijn, was zijn stelregel. Verder speelden prentenboeken en boeken met mooie plaatjes vaak een rol in zijn sprookjes; hij s
chreef er met eerbied over. Soms, zoals in De tuin van het paradijs (een sprookje over het eeuwig zoeken naar geluk en - dus - een sprookje over de dood) gebruikte hij fraai geïllustreerde boeken als metafoor voor de beperktheid van de menselijke ratio. Alles kon de prins uit zijn mooie boeken leren kennen, maar waar de tuin van het paradijs te vinden was, daarover stond geen woord ‘en daar dacht hij nou juist het meeste aan’.
Omdat Andersen heel genuanceerd schreef en precieze beschrijvingen gaf van situaties in de natuur, van kleuren en sferen, beschrijvingen die soms op de grens liggen van het abstracte, was - en is - hij een dankbare auteur voor illustratoren, maar ook een moeilijke. Voor de publicatie Getekend Hans Christian Andersen onderzocht ik de (vele) illustraties die verschenen bij de Nederlandse uitgaven van de sprookjes sinds de jaren veertig van de negentiende eeuw. Mijn uitgangspunt daarbij was een ruime selectie van illustraties tot in de eenentwintigste eeuw, op basis van het bezit van de Koninklijke Bibliotheek. Bij dit onderzoek stelde ik me een aantal vragen.
Hoe dacht Andersen zelf over kunst en over de illustraties bij zijn teksten die nog tijdens zijn leven uitkwamen? Als je de uitgaven strikt chronologisch legt, wat voor ontwikkeling zie je daar dan in? Hoe zit het met de verhouding tekst-beeld? (Zie je de vergelijkingen en associaties die Andersen oproept in zijn teksten ook terug in de plaatjes?) Zijn de plaatjes realistisch of historiserend? In wat voor stijl? Zijn ze nadrukkelijk voor kinderen bedoeld? Hoe verhoudt de visie van de illustratoren zich tot de tijdgeest (van henzelf en van Andersen)? Er is een ontwikkeling waar te nemen van romantisch-realistisch met duidelijk toneelmatige houdingen en gebaren via griezelig realistische afbeeldingen (bijvoorbeeld van Hans Tegner voor de Werelduitgave in de vertaling door Martha van Eeden-van Vloten) tot zorgvuldig gestileerde, aantrekkelijke Art Nouveau- en art deco-uitgaven in de tijd van de artistieke idealen in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Na de vele prachtuitgaven werd het in de jaren dertig en veertig allemaal sober en somber. Nederlandse (prent)kunstenaars voorzagen bundels met Andersensprookjes van zwaar aangezette zwart-wit illustraties, doorgaans vooral voor volwassenen bedoeld. Pas tegen het eind van de jaren veertig gaan de plaatjes weer stralen, komt er ruimte voor vormexperimenten. In de jaren vijftig en zestig verschijnen vele vrolijke bundels door kinderschrijvers bewerkt voor de jeugd met expressieve, vaak snel getekende plaatjes. Na een esthetische opleving in de jaren zeventig lijkt Andersen vanaf de jaren tachtig vogelvrij te zijn geworden en wordt er naar hartelust geïnterpreteerd en geëxperimenteerd. Elke ouder kan de Andersenuitgave kiezen die bij hem past, esthetisch, grappig, expressief, hyperrealistisch of absurd. In de teksten verdwijnen de nuances vaak, waardoor de persoonlijkheid van de illustrator meer en meer op de voorgrond komt te staan.