november 2002
In februari 1941 kreeg Werkman van zijn vriend en schipper van de Blauwe Schuit August Henkels het boek Die Legende des Baalschem te leen. Deze oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven legenden waren door Martin Buber in het begin van de 20ste eeuw aan de vergetelheid ontrukt en vonden wereldwijd een grote aftrek. Centraal in de vertellingen staat de Poolse Israël ben Eliëzer, ook aangeduid als Ba'al Sjem Tov (de man van de goede naam) die zich vanaf 1739 ontpopte als leider van de Oosteuropese chassidische beweging, een beweging van vrome joden die boven de praktische uitvoering van de voorschriften in de Thora een leer stelden van hoop, optimisme en vreugde.
Uit bewaardgebleven correspondentie is op te maken hoe sterk Werkman door deze parabel-achtige vertellingen werd gegrepen en Henkels voorstel om er een reeks grote prenten naar te maken werd gretig omarmd. Het werd een monsterproject dat hem uiteindelijk vanaf april 1941 t/m december 1943 heeft geabsorbeerd: van de eerste schetsen, het maken van een volledig uitgewerkte proefdruk, het drukken van de prenten in een oplage, de productie van de twee bijbehorende tekstboekjes tot en met de mappen waarin het geheel werd opgeborgen. Compleetheid was niet het streven: van de 21 legenden zijn er veertien uitgekozen waarvan bij acht verhalen één en bij zes twee prenten werden gemaakt.
Vooral de productie van de prenten in een oplage van telkens minimaal 20 exemplaren was een moeizaam proces. Grootste complicatie vormde het gebruik van de sjabloontechniek: te drukken figuren werden met een mesje uit een vel pakpapier gesneden, dat vel werd vervolgens op het blad gelegd en met een inktrol werd de door het wegsnijden ontstane vorm op het papier gebracht. Omdat de randen van de sjablonen daarbij ook met inkt bestreken werden en op een volgend vel papier al gauw voor een smetrandje zorgden, moesten voor eenzelfde figuur telkens weer nieuwe sjablonen gesneden worden, die natuurlijk nooit helemaal gelijk aan elkaar waren. Ook traden er onvermijdelijk kleurverschillen op, zeker als er op de rol twee kleuren zaten die vloeiend in elkaar overliepen, de zogenaamde irisdruk. Dit maakt dat eigenlijk elke prent een unicum is. Daarnaast paste Werkman nog andere technieken toe zoals het rechtstreeks met inktrollen over het papier gaan, het nat op nat aanbrengen van meerdere kleuren inkt over elkaar, het trekken van lijnen met de rand van een inktrol, en het direct op papier stempelen met drukvormen.
Bij deze presentatie van alle prenten wordt slechts door middel van een citaat aangegeven waarop een illustratie betrekking heeft. Wie zich verder wil oriënteren zij verwezen naar: Jan Martinet, Chassidische Legenden. Een suite van H.N. Werkman. Groningen, Wolters-Noordhoff/Bouma's Boekhuis, 1985
Zie ook
Meer werk van H.N. Werkman
Trijntje Soldaats en Minne Konings: Groninger volksvertellingen
Suite 1
|
|
Titel van de eerste suite. De illustratie is een verkleinde uitvoering van 'De rit naar Berlijn' (suite I, prent 8)
|
|
|
|
Het omslagvignet van het tekstboek bij de eerste suite toont 'De herberg in de Karpathen' (suite I, prent 3)
|
|
|
|
Het tekstboek opent met een korte uiteenzetting over het Chassidisme en de belangrijke rol van Martin Buber bij de popularisering van de legenden.
|
|
|
|
De opzet van alle toelichtingen is identiek: in blauw het Duitse citaat waaraan Werkman zijn inspiratie ontleende, in zwart een beschouwing over de strekking van de legende door August Henkels
|
|
|
|
Suite I, prent 1: "Israël bracht elke dag een zingende kinderschaar over de weg naar school en bracht ze langs een grote omweg over weiden en door het bos weer naar huis. De jongens lieten niet langer de hoofden met bleke gezichten bezwaard hangen, zoals vroeger"
|
|
|
|
Suite I, prent 2: "Vanaf die dag vergaten de kinderen het zingen en begonnen ze te gelijken op hun vaders en op de vaders van hun vaders. Ouder wordend lieten ze het hoofd tussen de schouders hangen"
|
|
|
|
Suite I, prent 3: "Diezelfde morgen reed rabbi Naftali naar de vlakte en verder omhoog. Zo kwam de wagen tot de kleine boerenherberg bij de laatste helling"
|
|
|
|
Suite I, prent 4: "Op het zelfde ogenblik echter zag hij een reusachtige man gehuld in een schaapsvacht en aardkleurige kaplaarzen naar de wagen toelopen"
|
|
|
|
Suite I, prent 5: "en legt zacht een hand op zijn schouder. De ziel blijft steken bij het laatste woord en kijkt achterom. Hij spreekt niet verder. Hij legt zijn arm om de hals van de bode en keert terug. Dat was de laatste zwerftocht van de meester in de hemelen"
|
|
|
|
Suite I, prent 6: "Midden in de nacht werd de meester gewaar, dat hij met zijn metgezel in een klein bootje zonder roer, op een hoog gaande zee was, met alleen maar een vlammend rood en geel zeil boven zich"
|
|
|
|
Suite I, prent 7: "Weer ging er een tijd voorbij en nog eens kwam de vraag op: `Wat horen jullie?' En als het ruisen van dodelijk vermoeide vleugels kwam het antwoord: `Wij horen van verre de stappen van iemand die zich verwijdert'"
|
|
|
|
Suite I, prent 8: "Soms had hij het gevoel, alsof ze diep onder de wegen van de mensen reden door geheimzinnige onderaardse gangen en dan weer leek het alsof de weg die ze namen zo licht en doorzichtig was, dat ze schenen te zweven in de lucht"
|
|
|
|
Suite I, prent 9: "De bruidegom vroeg hem of hij de echt in zou willen zegenen. Zodoende brachten ze de gesluierde bruid in het huis onder de baldakijn"
|
|
|
|
Suite I, prent 10: "Kalm stak hij zijn hand uit en schoof de gordijnen opzij, daarna opende hij de ramen en de houten luiken daarachter en stond toen in zijn volle lengte voor de open ramen"
|
|
|
|
In het colofon bij de eerste suite werd de datum van gereedkoming, kennelijk om de Duitse bezetter zand in de ogen te strooien, onjuist weergegeven. In werkelijkheid was de map pas eind augustus 1942 klaar.
|
|
Suite 2
|
|
Titel van de tweede suite. De illustratie is een verkleinde uitvoering van `De taal der vogelen' (suite II, prent 9)
|
|
|
|
Het omslagvignet van het tekstboek bij de tweede suite toont `Het feest der vergeving' (suite 2, prent 3)
|
|
|
|
Suite II, prent 1: "De volgende dag gingen ze op weg, om naar de Ba'alsjem te gaan, de bode en de oude jood met zijn kind"
|
|
|
|
Suite II, prent 2: "Zij waren oeroude mannen, gebogen maar toch zo lang dat hun hoofd de balken scheen aan te raken. IJsgrauw golvend haar en baard"
|
|
|
|
Suite II, prent 3: "De man achter de kachel zag een witte flits voor zijn ogen. Hij stond in zijn huis en hield de klink van de kamerdeur in zijn hand. Daar waren de gasten en wasten de handen voor de avondmaaltijd"
|
|
|
|
Suite II, prent 4: "Na drie dagen kwamen de paarden weer op gang, ze draafden uit de wildernis, naar een daarnaast gelegen bos en trokken de wagen in het dichte struikgewas"
|
|
|
|
Suite II, prent 5: "Hoe zeer ze ook door zijn manier van doen gepijnigd werden, toch konden ze op de heilige avond geen haatgevoelens koesteren en riepen hem toe: `Goede sabbat!' Hij echter snauwde ze af met het antwoord: `Een slecht jaar kome er voor jullie!'"
|
|
|
|
Suite II, prent 6: "Terwijl hij zo sprak kwam er een tweede bij, al gauw een derde, dan steeds meer en meer, vooral knechten en arme lieden. Ze bleven allen staan, luisterden gretig en riepen nog anderen uit de huizen er bij"
|
|
|
|
Suite II, prent 7: "Daar zaten alle volgelingen voor de deur van het huis, in een lange gebogen rij [...]. En Jossele ging zitten bij de anderen, de blik gericht op de verte, luisterend naar verwijderde voetstappen"
|
|
|
|
Suite II, prent 8: "Ik knielde neer en dankte de Heer, omdat hij gezorgd had voor mijn sabbat. Ik keek naar mijn vrouw en zag in haar lieve gezicht mijn eigen geluk weerspiegelen. Dat gaf mij een warm gevoel en ik vergat de vele zorgelijke dagen. Ik pakte mijn vrouw en maakte een dansje met haar door de kamer"
|
|
|
|
Suite II, prent 9: "Het drong tot hem door, dat allerlei vogels heel bekoorlijk hun morgengezang ten beste gaven. Al gauw onderscheidde hij wonderlijk genoeg, enkele woorden en zinsneden. Het geheel was een groot gesprek en alles hield opgewektheid en lieflijkheid in"
|
|
|
|
Suite II, prent 10: "Toen hij in het dal was aangekomen, voelde hij een arm om zijn schouders. Toen hij zich omkeerde, zag hij de engel met lichtend voorhoofd"
|
|
|
|
Colofon bij de tweede suite.
|
|