31 januari 2003

Aan de indrukwekkende verzameling liedboeken van de Koninklijke Bibliotheek is in 2003 een fraai handgeschreven exemplaar toegevoegd. Het is een oblong boekje van 155 x 100 mm gebonden in een contemporaine leren band met goudstempeling. Het boekje bevat 48 liederen, 10 gedichten en enkele tekeningen. Het is geschreven in zeer zorgvuldig kalligrafisch schrift. Er zijn verschillende handen te onderkennen. Het boekje moet gevuld zijn in fasen. We treffen liederen en gedichten aan uit de periode 1617-1618, 1620 en 1649. Het is geschreven in zeer zorgvuldig kalligrafisch schrift door verschillende mensen in de jaren 1617-1618, 1620 en 1649. De aanschaf is mogelijk gemaakt door de Vereniging Vrienden van de Koninklijke Bibliotheek - daartoe in staat gesteld door een legaat van mevrouw Dr. A.H. Kiel te Dordrecht.

Het liedboekje bleek een met zorg aangelegde verzameling liefdespoëzie in de vorm van liederen, sonnetten en andere dichtvormen. Volgens gegevens van de "Nederlandse liederenbank" die wordt bijgehouden in het Meertens Instituut te Amsterdam, zijn uit andere gedrukte bronnen slechts tien liedteksten bekend. De wijsaanduidingen bij de liederen zijn op vier na opgenomen in de liederenbank.

Onder de - ook uit andere bronnen - bekende teksten in dit liedboekje zijn drie liederen van de Amsterdamse dichter Gerbrand Adriaansz. Bredero (1585-1618). Twee ervan zijn ook opgenomen in Bredero's Geestigh Liedt-Boecxken uit 1621 waarvan het enig overgebleven exemplaar zich in de KB bevindt. Alle drie de liederen staan ook in Bredero's Groot Lied -boeck uit 1622.

Allerlei zaken die bekend zijn uit de spaarzaam overgeleverde gedrukte liedboeken, komen in variante vormen voor in dit handschrift. Genre-aanduidingen als "sonnet", "pastorel" en "claaglied" wijzen op de Renaissance die ook in de gekozen wijsaanduidingen zichtbaar wordt. Toch zijn ook rederijkersinvloeden aanwijsbaar als naamspreuken, een lied op de vijf sinnen en een rebus-achtige spreuk.

Dit liedboek vormt kortom een zeer belangrijke nieuwe bron voor het vroeg-zeventiende-eeuwse Nederlandse liederenrepertoire en de Nederlandse letterkunde.

Het eerste sonnet "Tot den Aenschouwer deses Boecx" bezingt de kracht van de liefde:

Als regen, storm, en wint, sneu, hagel smenschen sinnen
Met een bedroefde lucht beswaren doort gedacht
En datmen niet en weet, wat dat in onse macht
Te doen of laten staet
[...]
Dan doch des Liefdes cracht [...] sal altemael verwinnen.

en nodigt uit het boek binnen te gaan:

Hier siet ghij Venus Hoff: en soo ghij sijt van sin
Daer in te gaen; soo soeckt, dat ghij noijt hebt verloren.


Het tweede sonnet "Tot den goetwilligen Leser" eindigt met de oproep:
Vlucht niet, maer singt een Liedt; een Liedt dat naer u wil is.

Het liedboek vormt een fraai voorbeeld van de Nederlandse liedcultuur uit het begin van de zeventiende eeuw waarnaar de laatste tijd veel onderzoek is gedaan door medewerkers van het Meertens Instituut te Amsterdam. Met name Louis Grijp heeft in verschillende publicaties aandacht gevraagd voor diverse facetten van deze cultuur. Hij baseerde zich daarbij vooral op de gedrukte exemplaren uit de KB. Een belangrijk hulpmiddel voor de bestudering van de liedkunst uit de zeventiende eeuw is de zogenaamde 'liederenbank' van het Meertens Instituut. Deze 'liederenbank' is een database met liedbeschrijvingen die het mogelijk maakt na te gaan of een aangetroffen lied of zangwijze ook uit andere bronnen bekend is. Martine de Bruin van het Meertens Instituut heeft op basis van een eerste inventarisatie van het nieuwe boekje kunnen vaststellen dat de tekst van 38 liederen niet voorkomt in de databank. Slechts tien liedteksten zijn bekend uit andere, gedrukte bronnen. De wijsaanduidingen bij de liederen zijn op vier na opgenomen in de liederenbank. Dit betekent dat het boekje een zeer belangrijke uitbreiding vormt van het vroeg-zeventiende-eeuwse Nederlandse liederenrepertoire.

Onder de ook uit andere bronnen bekende teksten in dit liedboekje zijn drie liederen van de Amsterdamse dichter Gerbrand Adriaansz. Bredero (1585-1618) namelijk " Als dirckgen in zijn koorsgen lach", "een t'samenspraak tusschen een oud wijff en een Jongman" en een "claaglied" dat begint met de regel " Maer waaerom is mijn hart niet uijtgebrant tot assche". De twee eerstgenoemde liederen zijn ook opgenomen in Bredero's Geestigh Liedt-Boecxken uit 1621 waarvan het enig overgebleven exemplaar zich in de KB bevindt. Alle drie de liederen komen voor in Bredero's Groot Lied -boeck uit 1622. De vergelijking van de handgeschreven versies met de gedrukte brengt allerlei verschillen aan het licht. Op sommige plaatsen zijn de geschreven liederen metrischer, wat er op kan duiden dat ze zijn opgeschreven door iemand die ze ook heeft gezongen. Wie dat geweest is, zal wel altijd onbekend blijven.

De andere bekende liederen in dit nieuwe handschrift wijzen naar Haarlem. De liederen "Ach, ach Godin ach ach connen u niet beweghen", "Ick ben eijlaes alleen" en "Ick vind ylaes mijn nu geheel verdelcht door mijn quael" zijn ook te vinden in de bundel Minne-zughjes van Salomon de Bray, die door Johan van Heemskerck in 1627 is bezorgd. Het kerstlied "Als d'herders haer Schaepjes bewaeckten," is in dit handschrift ondertekend met "J.J. van Aste" . Het is ook met ondertekening te vinden in de bundel Haerlemsche Winter-bloempjes uit 1647, die ook slechts in één, bovendien incompleet exemplaar is overgebleven. Ook dit exemplaar wordt in de KB bewaard. In de Haarlemsche Mei-bloempjes uit 1649 komt ook voor "Tranen van Heraclitus. Uyt-ghestort over de verkeertheydt, deser Werelt dat begint met: "Och, och mijn ooghen, ooghen, ooghen// Smelten bij nae door bitter leet". Het lied "Den Hemel hooch verheven" komt ook voor in de in 1615 uitgegeven bundel Flora of Boogaerd der lieflijcke Bloemen door B.R, achter welke initialen de dichter Bernardt Ruissenberch schuilgaat.

De meeste liederen en gedichten uit deze bundel zijn, voor zover bekend, niet eerder gepubliceerd. Het liedboekje vormt dan ook een fraaie nieuwe bron voor onderzoek naar de verspreiding en waardering van zeventiende-eeuwse poëzie. De meeste gedichten uit deze bundel gaan over de liefde.

De bundel maakt een zeer verzorgde indruk. De tekeningen, het schrift en de opmaak getuigen van een smaakvol gevoel voor verhouding. Helaas zijn in de loop van de tijd 7 bladen uit het boekje gesneden. Waarschijnlijk was het ooit dus nog fraaier.

Deze nieuwe bron voor onze kennis van de zeventiende-eeuwse liedcultuur verdient het om uitvoerig bestudeerd te worden. Allerlei zaken die bekend zijn uit de spaarzaam overgeleverde gedrukte liedboeken, komen in variante vormen voor in dit handschrift. Genre-aanduidingen als sonnet, pastorel en klaaglied wijzen op de Renaissance die ook in de gekozen wijsaanduidingen zichtbaar wordt. Toch zijn ook rederijkersinvloeden aanwijsbaar: de naamspreuken, een lied op de vijf sinnen, een tekst in een cartouche, een rebus-achtige spreuk.

Het boek is in te zien bij de Afdeling Bijzondere Collecties, aanvraagnummer 79 L 11.