In 1895 schreef Friederich Engels (1820-1895) voor de krant Die Neue Zeit weer eens een spraakmakend artikel. Hij noemde arbeid de bepalende factor bij de overgang van aap naar mens want: “Arbeid is de bron van alle rijkdom”. Het is een bewering die talloze loonarbeiders, moet hebben geïnspireerd. Rijk worden van loonarbeid was en is echter niet eenvoudig. In de jaren vijftig van de vorige eeuw toen de werkweek - zoals door recente kabinetten nog gewenst - nog zes dagen telde slaakte menig huismoeder een zucht van verlichting als vader thuis kwam met zijn loonzakje. Een populair liedje verwoordde het als volgt: “ Zaterdagmiddag is alles voorbij, dan zijn er weer centjes en moeder lacht blij!”. Zo was het in talloze huishoudens in Nederland en ver daar buiten.

In een recent boek (2005) van de Amerikaanse onderzoekster Barbara Ehrenreich, De achterkant van de Amerikaanse droom, wordt dat nog eens aangetoond. Zij beschrijft haar leven als slecht betaalde medewerkster van Amerikaanse succesbedrijven zoals Wallmart. Toegegeven: het gaat om Amerika en dus om Amerikaanse arbeidsverhoudingen maar een soortgelijk verhaal kan zonder moeite worden geschreven over talloze, veelal illegale, arbeiders die in Nederland aan de onderkant van de arbeidsmarkt actief zijn. Günther Wallraf, wist met zijn boek Ik (Ali), in de jaren ‘80 op soortgelijke wijze de aandacht te trekken. Loonarbeid lijkt daarmee, althans als het om publicaties gaat, een negatieve connotatie te hebben.

Hoe anders is dat met het begrip handel. Er is, wellicht met uitzondering van politiek geïnspireerde schotschriften over de diamanthandel of de handel in dierenhuiden, bijna geen boek uit de kast te trekken dat niet in jubelzang uitbarst als het fenomeen handel moet worden beschreven. In Nederland is het natuurlijk vooral de zogenoemde Gouden Eeuw, die de pennen in beweging bracht en brengt. Wat wij niet allemaal dankzij onze handel hebben bereikt? Maar wie is dan ‘wij’ en wat betekent ‘onze’? Was iedereen dan rijk in de Gouden eeuw? De mannen die de kostbare lading uit de Oost-Indiëvaarders haalden of de vrouwen die werkten op de linnenblekerijen rondom Haarlem? Hadden de dienstmeisjes er wat aan, dat zij dankzij ‘onze handelswinsten’ mochten dienen in de fraaie grachtenpanden van Hoorn, Delft of Amsterdam? Prikkelende gedachten die voor het eerst in Nederland in een breder verband werden geplaatst door Dr. I.J. Brugmans, die in 1960 zijn boek Paardenkracht en Mensenmacht schreef. Het gaf inzicht in de economische ontwikkeling van Nederland en zou nog enige malen worden herdrukt. De beschreven periode, 1795-1940, was beperkt zodat de Gouden Eeuw of de naoorlogse periode van Wederopbouw buiten beeld bleven. Maar Brugmans had, bijgestaan door anderen, een monument geschreven dat ook de arbeidende klasse recht deed. In zijn voetspoor volgde G. J. van Dillen met Van Rijkdom en regenten (1970). Een handboek over de sociale en economische geschiedenis in de tijd van de Republiek. Tien jaar later verscheen in 12 delen De Algemene geschiedenis der Nederlanden. In dit standaardwerk liet diverse deskundigen hun licht schijnen over deelaspecten van de Nederlandse (noord en zuid) sociaal-economische geschiedenis. Het betekende niet dat hiermee alles was gezegd en beschreven. A.Th. van Deursen schreef Het kopergeld van de Gouden Eeuw dat in vier delen in de periode 1978-1990 verscheen. Het duurde tot 1995 voordat er weer een monografie verscheen over de Nederlandse sociaal-economische geschiedenis. In dat jaar publiceerden Jan de Vries en Ad van der Woude het tot heden meest complete overzicht met de titel Nederland 1500 – 1850. De eerste ronde van de moderne economische groei.