De relatie van Nederland met Indië heeft vele schakeringen gekend, die men ook aantreft in de Nederlandse letterkunde, die ons daardoor in dat opzicht een echte spiegel van de geschiedenis voorhoudt. In 1972 verscheen de Oost-Indische Spiegel, het beroemde werk van Rob Nieuwenhuys over de door Nederlanders geschreven Indische letterkunde – in de titel is hij schatplichtig aan het werk van Nicolaas de Graaff uit het begin van de achttiende eeuw. Maar al in 1939 was een belangrijk overzichtswerk verschenen over de Indische letterkunde uit de ‘Compagniestijd’ (= tijd van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, VOC, 1600-1780), namelijk De muze van Jan Companjie door E. du Perron.
De verhouding van Nederlanders met de Indische volkeren begon niet bepaald als een hoffelijke vrijage, want het motto waaronder de ‘dienaren van de compagnie’ de archipel aandeden kan omschreven worden als winst, winst, winst. Het waren niet bepaald de meest verfijnden die per schip na afmattende tochten met gruwelijke ontberingen de eilanden bereikten. Gelukkig kwamen er geregeld ook meer ontwikkelde lieden mee, die uitvoerig schreven over de reizen naar Indië, de natuur die ze aantroffen, de volkeren die ze onderweg en ter plaatse leerden kennen,evenals hun zeden en gebruiken. Zo bijvoorbeeld de Oost-Indische voyagie van W. Schouten uit 1676. Na de matrozen en kooplieden volgen de ambtenaren, de predikanten, de artsen, de ingenieurs, de arbeiders op plantages en in fabrieken.
Nederlanders vestigen zich in Indië, niet alleen op Java en Sumatra maar ook op de eilanden in de Molukken. Wonen en werken in de Oost was niet meer alleen voor hen die in het vaderland geen toekomst zagen of hadden, maar raakte gemeengoed onder verschillende lagen van de maatschappij. Meer thuis proberen te raken in Indië leverde verschillende problemen op. Niet iedere Europeaan kon tegen het klimaat en het voedsel, tegenover de plaatselijke bevolking trad men vaak met veel onbegrip op, en voor het merendeel van de Europeanen bleven de cultuur en religie vreemd en onvoorspelbaar. Zie bijvoorbeeld De stille kracht van Louis Couperus (1900), of Goena Goena van P.A. Daum (onder pseudoniem Maurits, 1889).
Uiteraard waren er ook in de tijd van de VOC al Nederlandse vrouwen met hun man mee naar Indië gekomen, maar ze vormden nog een uitzondering; in de loop van de negentiende eeuw nam hun aantal toe. Door het vrouwentekort kwam het veel voor, dat de Nederlanders zich een ‘njai’ namen, en in uitzonderlijke gevallen ook wel huwden. Uit deze verhoudingen ontsproten kinderen (Indo’s) die min of meer als een maatschappelijke middenlaag fungeerden, maar vaak verscheurd werden in dubbele loyaliteit maar noch bij de blanken, noch bij de ‘inlanders’ echt thuis hoorden. Hoe blanker ze waren, hoe beter het overigens was in veler ogen.
De Nederlands-Indische maatschappij was zeer klassenbewust en kende vele intriges. Van buitenaf geobserveerd door Jan ten Brink in zijn Oost-Indische dames en heeren (1863), van binnenuit beschreven door Rob Nieuwenhuys (onder pseudoniem E. Breton de Nijs) in zijn Vergeelde portretten uit een Indisch familiealbum (1950). Na de tijd van de compagnie en een Engels intermezzo doet in de negentiende eeuw een verfijnd administratief systeem zijn intrede, waarbij de Gouverneur-Generaal aan de top staat, en heel Indië verdeeld wordt in gewesten met een resident aan het hoofd, voor diverse districten bijgestaan door assistent-residenten en andere ambtenaren.
De beroemdste, maar zeker niet meest representatieve assisitent-resident is natuurlijk Eduard Douwes Dekker, die als Max Havelaar in zijn gelijknamige roman uit 1860 optreedt. Door zijn boek waarin hij de uitbuiting ‘van den Javaan’ aan de kaak stelde, nam de belangstelling voor Nederlands-Indië en voor de manier waarop de bevolking daar behandeld werden, toe. Er kwamen vanaf eind negentiende eeuw bestuursambtenaren en anderen met idealen naar de Oost, die het volk wilden opvoeden of zelfs bevrijden. Mede daardoor ontstond er een zelfbewuster klasse Indo’s en langzamerhand ook ‘Indonesiërs’ die de aanwezigheid van de Nederlandse kolonisator ter discussie begonnen te stellen.
Tegelijkertijd werden er juist kinderen uit Nederlandse ouders in Indië geboren die dit land als hun vaderland beschouwden; ze kenden Nederland alleen uit verhalen, of gingen er hooguit eens in de zoveel jaar met verlof naar toe. Dit zijn de mensen die na de onafhankelijkheid van Indonesië, het land moesten verlaten, of er niet naar konden terugkeren – zij worden vertegenwoordigd door de schrijvers van het Indisch heimwee, zoals Maria Dermoût, Vincent Mahieu, Beb Vuyk, Rob Nieuwenhuys. De Tweede Wereldoorlog, met voor vele blanken tewerkstelling of internering in ‘Jappenkampen’, de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd met van Nederlandse zijde de zogeheten politionele acties, en na de onafhankelijkheid de repatriëring van Nederlanders, Indische-Nederlanders en ‘Ambonnezen’ – dat waren de christelijke Molukse soldaten uit het Koninklijke Nederlands Indisch Leger (KNIL) hebben nog diverse boeken opgeleverd. Denk aan Oeroeg van Hella Haasse (1948) met de vervreemding tussen vroegere vrienden door de onafhankelijkheidsstrijd, Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans (1951) over de politionele acties, kampverhalen zoals in Het pannetje van Oliemans van C. van Heekeren (1966) of in Bezonken rood van Jeroen Brouwers (1981). In romans van Adriaan van Dis (Nathan Sid, Indische duinen en Op oorlogspad in Japan, in een band uitgebracht in 2002) en in Geen gewoon Indisch meisje van Marion Bloem (1983) wordt het leed van repatrianten geschetst en van kinderen die nooit ‘daar’ waren.