Doodgaan doen we allemaal. Toch staan we niet bij ieders overlijden op dezelfde manier stil. Verre familieleden en vage kennissen nemen minder ruimte in onze persoonlijke rouwkamers in beslag, dan zij die ons het naast zijn. Aan de dood van beroemde, nationale of historische persoonlijkheden wordt per definitie meer bijzondere aandacht geschonken dan aan ‘gewone’ stervelingen. En vanzelfsprekend krijgt dit soort rouwbeklag ook zijn neerslag in gedrukte vorm.

Er zijn landen waar dergelijke uitingen van rouw worden gebundeld: verzamelde ‘obituaries’ die boeiende en vaak actuele informatie over groepen heel ongelijksoortige gestorvenen bijeen brengen. In Nederland is dit vrij zeldzaam. Een door de dood zeer gebiologeerde auteur als Jeroen Brouwers bundelde necrologieën van Nederlandse schrijvers in Hij is reeds aan de overzijde. Necrologieën van schrijvers (Amsterdam, Rap, 1986, 250 p.). Het voorbeeld vond navolging op kleine schaal. Martin van Amerongen kwam met Over de doden niets dan goeds. Necrologieën van politici (Amsterdam, Rap, 1986, 168 p.) en meer recent bundelden Gerlof Leistra en Liesbeth Wytzes zevenendertig necrologieën van bekende personen in Niets dan goeds. Over bekende doden (Amsterdam, Bakker, 2003, 295 p.).

Wie op het juiste moment het heengaan van een geliefde gestorven schrijver wil gedenken kan veel plezier hebben van Alleen de dood is tussen U en mij. Literaire dodenkalender van de twintigste eeuw. (Amsterdam, Lubberhuizen, 2000, 114 p.) Uniek in dit genre is Waar ligt Poot? Over de dood en de laatste rustplaats van Nederlandse en Vlaamse schrijvers (Baarn, De Prom, 1997, 331 p.), een boekje dat naast veel informatie over de afgestorvenen praktische aanwijzingen geeft over de laatste rustplaats van schrijvers. Praktische tips en beschouwingen over rouwverwerking zijn te vinden in Heden ik, morgen gij van Puck Kooij (Rap, Amsterdam, 2004, 199 p.). Dit bevat naast hoofdstukken als ‘Oud zijn is een kunst’, ‘In plaats van kaarten’ en ‘Het slotakkoord heeft geklonken’ enkele fragmenten van rouwbeklag bij het heengaan van vooraanstaande vaderlanders als Willem Drees, Theo Koomen, Frank Govers en Willy Corsari.

Het thema van een van de voorgaande boekenweken was ‘de dood’. Het leverde een stortvloed aan publicaties op, en lang niet allemaal droevig van aard. Bloemlezer des Vaderlands Gerrit Komrij maakte een ingetogen en hier en daar aangrijpende keuze uit de vaderlandse funeraire poëzie, Lang leve de dood (Amsterdam, De Bezige Bij, 2003, 206 p.) Wie bijft onbewogen bij de regels die Komrij koos van de vergeten geraakte dichteres Jo Landheer:

Dit is het bitterste op aarde: ’t leed
Dat we onze doden deden bij hun leven.
In slapeloze nachten keert het weer
En dof aansuizend op de nachtwind beven
Krenkende woorden, achteloos gezegd,
En tedere, die ongesproken bleven.

Nog veel uitbundiger was het door Frank Verhallen samengestelde Bulkboek uit 1997 We gaan gelukkig dood. 75 liedjes over de dood […] maar die werden dan ook gepresenteerd tot troost en verstrooiing. Ivo de Wijs dichtte:

[…]

Als ik ooit doodga, kom dan allemaal maar
En hou je flink of snotter, alles mag,
Vooruit, laat ’t maar druk zijn en luidruchtig
Ik zorg wel voor de stilte op die dag.

Een onbewezen stelling is dat dichters en schrijvers zelf, naarmate hun leeftijd vordert en dus hun dood nadert, kwalitatief betere teksten schrijven. Dit gaat niet voor iedereen op, maar voor sommigen zeker wel. J.J. Slauerhoff (1898-1936) schreef een grimmig ‘In memoriam mijzelf’ dat in zijn nalatenschap werd aangetroffen. Op de dood van Slauerhoff zijn veel gedichten geschreven – maar geen zo raak als door hemzelf. En A. Roland Holst publiceerde zeer indrukwekkende poëzie twee maanden vóór hij, achtentachtig jaar oud, overleed. Hij noemde zijn laatste bundel Voorlopig (Amsterdam, Van Oorschot, 1976, 89 p.). Het laatste (!) gedicht daaruit luidt

DANKWOORD

Mijn ziel moge altijd dankbaar blijven
voor de genade van het woord
dat met mij vecht en aan den lijve
tekeergaat, wie ik toebehoor
en nooit en nimmer kan weerstreven,
dat in de smidse van de taal
het vuur stookt van mijn oude leven
tot aan het slot van mijn verhaal.