De aanleiding om dit dossier samen te stellen is de publicatie van het boek Midden in de week maar zondags niet, geschreven door Jant van der Weg in 2008. Dit boek biedt behalve de kinderrijmen zelf ook een mooi overzicht van de prachtige illustraties afkomstig uit de collectie van de KB. Lees meer over deze uitgave.
Jonge kinderen doen hun eerste literaire en muzikale ervaringen op bij de voor hen gezongen liedjes en versjes. Tegenwoordig is een keur aan prentenboeken en compacts-discs beschikbaar, met daarop de teksten en de muziek van die oude liedjes. En ook in de omvangrijke collectie van de Koninklijke Bibliotheek zijn veel bundels met traditionele rijmpjes en versjes te vinden.
Vóór 1870 werd het overgrote deel van deze versjes uitsluitend gezongen en gezegd voor baby’s en kleine kinderen, vooral door bakers en moeders. Zo werden deze teksten van generatie op generatie doorgegeven. Daardoor verloren ze in de loop van de tijd hun oorspronkelijke betekenis. In het boek Midden in de week maar zondags niet wordt een tipje van de sluier over de oorspronkelijke betekenis van een aantal van deze bekende rijmpjes opgelicht, en wordt aangetoond dat figuren als Kortjakje en Berend Botje geen voorbeelden van deugdzaamheid waren. De ware geschiedenis van Kortjakje zal u verbazen en over Berend Botje is het laatste woord vast nog niet gezegd.
Wie weet nog dat er ‘poepen’ in de poppenkraam stonden, Kortjakje wel een borreltje lustte, Berend Botje misschien wel wegens geknoei met verzekeringsgelden op de loop ging, en wat dat aapje op dat stokje achter moeders keukendeur deed? Dat wordt onthuld in dit boek, dat handelt over de in het nationale geheugen geprente figuren uit de kinderkamer.
Traditionele kinderversjes verschenen pas omstreeks 1870 voor het eerst in boekvorm, toen wetenschapper Johannes van Vloten (1818-1883) na twintig jaar systematisch verzamelen zijn vondsten publiceerde in twee bundeltjes Nederlandsche baker- en kinderrijmen. Ze verschenen in 1871 en 1872 bij uitgever Sijthoff in Leiden. In 1894 kwam een uitgebreide ‘veel vermeerderde’ 4e druk van de pers, die vaak werd herdrukt, voor het laatst in 1995.
Na Van Vloten bestudeerde ook een andere pionier op dit terrein, G.J. Boekenoogen (1868-1930) de overgeleverde kinderversjes en -liedjes. In 1893 verscheen zijn belangrijke artikel Onze rijmen in De Gids. Een overdruk hiervan verscheen nog hetzelfde jaar in boekvorm, ook bij Sijthoff.
Zoals al gezegd: vóór 1870 vinden we dit soort rijmen nauwelijks in druk. Een uitzondering is te vinden in een boek van de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman, die in 1852 in 'Het eerste prenteboek op moeders schoot' een aantal van deze versjes opnam: 'Torentje, torentje bossekruid', 'Bom, bam, beijeren', 'Handje plak', 'Hort paardje' en 'Slaap kindje slaap'.
Ook bij Jan Pieter Heije zijn vroege sporen te vinden.
In de bundel Al de kinderliederen uit 1861 staan gedichten waarin fragmenten herkenbaar zijn, zoals in het vers Bloemkweeken, met daarin de tekst Klein kleuterke, klein kleuterke! Wat doet gij in mijn' hof? Gij plukt er al de bloemkens af, En maakt het veel te grof! En in Onze manieren staat: Tusschen Keulen en Parijs, Leît de weg naar Rome: Al die met ons meê wil gaan, Die moet onze manieren verstaan. Ook dit zal sommige lezers nog bekend voorkomen: Goeije manieren, Zoete manieren, Zoo zijn onze manieren. Maar de daarop volgende twee coupletten roepen geen herkenning meer op.
Natuurlijk zal er wederkerige beïnvloeding zijn geweest tussen de orale en de schriftelijke cultuur. Ook Heije’s gedicht Van zeven kikkertjes staat in heel wat verzenbundels zonder vermelding van de oorspronkelijke auteur.
Maar wat was er het eerst? Zijn de teksten van Schenkman en Heije het mondelinge repertoire binnengeslopen, of hebben zij daaruit geput?
De bundels van Van Vloten zijn de basis voor een grote stroom boeken met traditionele kinderversjes, vaak fraai geïllustreerd. Dat begint in de jaren zeventig van de 19e eeuw, en gaat nog steeds door. Over de achtergronden van dit genre is nu voor het eerst een boek geschreven. Jant van der Weg heeft onderzoek gedaan naar de nu vergeten betekenissen, en uitgeverij d’jonge Hond heeft er - in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek – een mooi boek van gemaakt, waarin ook te zien is hoe de versjes in de loop van de tijd in beeld werden gebracht.
De KB houdt zich actief bezig met poëzie, zie Dichter op het scherm. In 2007 was de KB nauw betrokken bij de totstandkoming van de bloemlezing van kindergedichten door Gerrit Komrij. In zijn bundel zijn ook talrijke anonieme, traditionele kinderversjes opgenomen.
Een aanrader is ook de bloemlezing van circa 400 Nederlandse kindergedichten vanaf de 18e eeuw tot het midden van de 20ste eeuw, met uitvoerige bronvermelding en achtergrondinformatie: Alles in de wind, de bekendste kinderversjes van vroeger, bijeengebracht en ingeleid door C.J. Aarts en M.C. van Etten. De 4e druk verscheen in 2004 bij uitgeverij Bakker. Naast de uitgave van de traditionele kindergedichten verschenen er ook nieuwe, in vergelijkbare trant gemaakte versjesbundels, bijvoorbeeld de verrassende en ontroerende bundel van Ienne Biemans met de fraaie titel: Mijn naam is Ka, ik denk dat ik besta. (Querido, 1985)