Op 15 november 2004 werd Koninklijk Theater Carrédoor Hare Majesteit Koningin Beatrix officieel heropend. Ter gelegenheid daarvan wilde de Koninklijke Bibliotheek graag iets laten zien uit twee bijzondere boeken uit haar collectie, die een beeld geven van de vroegste geschiedenis van Theater Carré.

Uit de geschiedenis van Theater Carré blijkt dat de familie Carré in 1863 voor het eerst op de jaarlijkse kermis in Amsterdam een paardenspel opvoerde. In 1867 werd bij de Plantage een tijdelijk houten circustheatertje gebouwd, en vervolgens mocht Carré in 1874 een nog mooier en groter circusgebouw neerzetten op het Frederiksplein, nu met een piste van 14 meter doorsnee, een verwarmde vestibule en fraaie wachtzalen. In 1879 verhuisde Carré naar de plaats van het voormalige Rasphuis aan de Binnen-Amstel 125 te Amsterdam.

Het eerste boek is Asschepoester in het cirque Carré met ‘vertelling en dichtregelen’ van Jan Schenkman. In november 1874 verscheen het bij uitgever G. Theod. Bom in Amsterdam en was zo populair dat nog in datzelfde jaar drie drukken het licht zagen. De platen geven een beeld van het nieuwe circusgebouw op het Frederiksplein.
Het is een met prachtige kleurenlitho’s geïllustreerde navertelling van het sprookje Assepoester van Charles Perrault. In de tekst is weliswaar geen sprake van circus Carré, maar de platen verwijzen naar de opvoering door Oscar Carré van het sprookje, dat vrijwel geheel werd gespeeld door kinderen. De hoofdrol werd vertolkt door Kätchen Carré. De middenplaat laat volwassen figuren zien met nogal grote hoofden: het waren verklede kinderen.
Schenkman (1806-1863) was een Amsterdamse onderwijzer die veel publiceerde over allerhande onderwerpen. Het 'straatrumoer' had daarbij zijn voorkeur: de kermis, het circus en figuren als Jan Klaassen, Arlequin en Pierrot kwamen in zijn prentenboeken tot leven.
Dat het boek elf jaar na de dood van auteur verscheen kan worden verklaard uit het feit dat de uitgever gebruik maakte van een in 1851 verschenen bewerking van het Assepoesterverhaal door Schenkman. (Lust & Leering, p. 274).

Het tweede boek, Een avond bij Carré door Joan Chr. E. Gosler (1822-1886), verscheen in Zaandijk bij uitgever J. Heynis Tz., vermoedelijk rond 1870-1880.  Dit boek speelt zich af in Utrecht en laat zien dat de optredens van de familie Carré zich niet tot Amsterdam beperkten. In het verhaal logeren de kinderen van een predikant in Utrecht en bezoeken daar de kermis langs de Neude. Daar was ook Carré met zijn Paardenspel, waar ‘iemand haast nakend door een met papier beplakten hoepel moest springen’ en waar behalve paarden ook koorddansers, olifanten, gedresseerde honden en clowns hun kunsten vertonen. Een groep Chinezen maakt ook deel uit van het spektakel.
En nadat de vertooning geëindigd was en men het teeken hoorde, dat het voor dien avond was afgeloopen, kwam er aan het klappen in de handen haast geen einde. Onze jongeluidjes verlangden nog wel meer te zien van de Utrechtsche kermis, doch het paardenspel ging hen maar niet uit de gedachte, en te huis gekomen maakte elk een heel aardige beschrijving van hun bezoek aan de oude hoofdplaats met den Domtoren, en ze droomden en spraken nog veelmalen van hun bezoek aan Carré.

Bron

Lust en leering : geschiedenis van het Nederlandse kinderboek in de negentiende eeuw / P.J. Buijnsters en L. Buijnsters-Smets. - Zwolle : Waanders, cop. 2001.