Vondsten uit de collectie tijdens tijdens werkzaamheden bij het Retroproject handschriften 2004-2006 (februari 2004)

WelEdel Geboren Heer,

Geïnformeerd, dat Z.M. aan UEdG. het toezicht heeft overgelaten nopens de personen, welke van de bijzondere gunst des Konings kunnen gebruik maken, om in het Paleis in het Bosch gehuisvest te worden, na dat zij den 12 Jan. alhier hunne woningen verloren hebben, zo neeme ik de vrijheid dit voorrecht te solliciteren voor twee ongelukkige huisgezinnen, welke alles verloren hebben. Het eerste is dat van den Kaarsemaker en winkelier Meerburg, een bij uitstek achtingswaardig en geacht man. Ik voege hier bij een brief, welken hij mij gister schreef, en moet U verzekeren, dat alles daar in gezegd waarheid is. Deze verdient zeker des Konings bijstand in alle opzichten.
De tweede Vader des huisgezins is de bekende Boekverkoper van Thoir. Deze man is reeds sedert lang voordelig bij den Koning bekend. Ook hij verdient door zijne braafheid, voorledene en tegenswoordige rampen des Konings weldadigen bijstand.
Beide ongelukkige burgers zullen UEdG. waarschijnlijk nog dezen avond komen opzoeken. Mag ik hen als ongelukkigen en brave menschen aan Uwe bescherming aanbevelen.
Met de meeste hoogachting heb ik intusschen de eer in veel haast te zijn

WelEdel Geboren Heer
UEdGeb. dienstwillige Dienaar
Brugmans

121 E 4 nr. 18

Het document is gedateerd noch gelocaliseerd; het schrift wijst op de negentiende eeuw. Blijkens het adres op de achterzijde is het briefje met spoed verzonden op 21 januari, "met de schuit van 2½ uuren", naar de heer "Mr. Van Toulon, lid van den raad van Den Haag."

De geadresseerde is eenvoudig te identificeren als Lodewijk van Toulon (1767-1840), die onder meer bekend is als Tweede-Kamerlid. Hij was lid van de stedelijke raad van Den Haag vanaf 1802 en werd daar wethouder in 1808. Koning Lodewijk Napoleon persoonlijk belastte hem met de zorg voor de Leidenaren die op 12 januari 1807 het slachtoffer waren geworden van een vreselijke ramp: de ontploffing van een met kruit geladen schip in het hartje van de Sleutelstad. Voor enkelen van hen stelde de koning ruimte in paleis Huis ten Bosch beschikbaar.

Vervolgens is het een koud kunstje om de afzender thuis te brengen. Het "vergeten fenomeen" Sebald Justinus Brugmans (1763-1819) bekleedde maar liefst vier leerstoelen aan de Leidse universiteit. In zijn schrijven aan Van Toulon breekt hij een lans voor twee stadgenoten die onder de kruitramp te lijden hebben gehad. Boekhandelaar Johan van Thoirs echtgenote en jongste dochter waren bij de ontploffing ernstig gewond geraakt; zijn pakhuis met leesbibliotheek was volledig vernield. Volgens L. Knappert, de geschiedschrijver van de Leidse ramp, waren in het huis van kaarsenmaker/kruidenier Samuel Adrianus Meerburg geen slachtoffers te betreuren. Bij nader onderzoek blijkt dat toch niet juist: bij de explosie waren Meerburgs vrouw en twee kinderen onder het puin bedolven geraakt. De oudste zoon, de 10-jarige Johannes Hendrik, liet het leven onder de brokstukken van het huis. Hij werd daar pas twee weken later gevonden.

Aan Brugmans brief kunnen we eindelijk een plaats en een jaar toekennen. We weten nu precies wat we voor ons hebben liggen: een kreet om hulp uit Leiden, een stille getuige van een oorverdovende knal in 1807. Dankzij een schoonzoon van de geadresseerde - de autografenjager G.J. Beeldsnijder van Voshol - bleef de brief voor ons bewaard. In 1921 kwam het velletje papier terecht in de Koninklijke Bibliotheek, waar iedereen het mag komen bekijken.