Onze Jacob van Lennep (1802-1868) was een druk baasje. Wij herinneren ons hem voornamelijk nog als letterkundige, maar voor veel tijdgenoten was hij in de eerste plaats succesvol advocaat en, zij het kortstondig, lid van de Tweede Kamer. Bijna achteloos leverde hij tussen de bedrijven door een imposant oeuvre af aan dicht- en prozawerk, grammatica's en historische vertellingen, toneelstukken en vertalingen van het werk van anderen. De Koninklijke Bibliotheek bewaart tientallen autografen van zijn hand.
Op een regenachtige vrijdagmorgen in het jaar 1838 schreef Van Lennep vanuit Alkmaar een briefje aan Johannes Petrus Hasebroek (1812-1896), predikant in Heiloo. Hij excuseert zich daarin voor het feit dat hij de voorgaande avond zonder zich in Heiloo te hebben opgehouden, meteen was doorgereden naar Alkmaar. "Het eerste zult gij bemerkt hebben; het tweede kan ik U verzekeren dat waar is", grapt de schuldige schrijver. Niet zonder schaamte en leedwezen waarschuwt Van Lennep dat hij de volgende ochtend – zondagmorgen dus – met de diligence weer uit Alkmaar zal vertrekken. Nieuwe bezigheden roepen hem naar elders. Van Lennep klaagt dat hij de hele week al zo in de weer is: "Sedert Maandag ben ik van huis en heb nog geen oogenblik rustig gezeten: ik leef als in een rosmolen: – en dan dat vocht van den hemel!" Een heel bijzonder briefje is het niet, een aardig briefje wel. Ondanks zijn drukke bestaan hoopte Van Lennep tussendoor wat tijd vrij te kunnen maken voor een bezoekje aan Hasebroek. 's Ochtends moest hij eerst nog naar de rechtbank, maar "na afloop der debatten zal ik zien een brommer te huren om bij U te komen." Het staat er echt: Van Lennep wilde met de brommer van Alkmaar naar Heilo. Hoe moeten wij ons dat voorstellen?
Het magistrale Woordenboek der Nederlandsche Taal maakt duidelijk hoe Van Lennep zich heeft willen verplaatsen. Een 'brommer' is een huurrijtuig dat door een koetsier bestuurd en door slechts één paard wordt getrokken. Volgens mondelinge overlevering, nota bene opgetekend door Jacob van Lennep zelf, zijn deze rijtuigen genoemd naar de Utrechtse (of Amsterdamse?) stalhouder Brom, die aan de verspreiding van het vervoermiddel een belangrijke bijdrage heeft geleverd.