Carolus Clusius en MEI
26 oktober 2017 Philip Muijtjens Boekgeschiedenis

Sinds enkele maanden wordt in de KB net als in vele verschillende andere bibliotheken in Europa en de Verenigde Staten gewerkt aan een relatief nieuwe database, Material Evidence in Incunabula (MEI). Deze database, onderdeel van het grotere project 15C Booktrade, concentreert zich op de fysieke geschiedenis van incunabelen, dat wil zeggen boeken die in de vijftiende-eeuw gedrukt zijn.

Voor elk exemplaar van een incunabel uit een bibliotheek die meewerkt aan MEI, is in de database een afzonderlijk 'record' aangemaakt waarin de fysieke en documentaire sporen van voormalige eigenaren en hun achtergronden worden beschreven, in chronologische volgorde. Het doel is om zo per incunabel meer te kunnen vertellen over de specifieke context waarin het boek zich heeft bevonden en van eigenaar wisselde. Door al deze individuele geschiedenissen samen te brengen is MEI een belangrijke bron van informatie voor de verspreiding van exemplaren van een bepaalde editie.

De KB heeft 2.262 records in MEI die automatisch zijn gecreëerd vanuit de KB-catalogus. Hoewel eerder onderzoek naar de herkomst van de KB-incunabelen hierin al is opgenomen, eindigt het werk daar niet. Sinds mei 2017 werkt een groep stagiairs onder leiding van Marieke van Delft, conservator Oude Drukken van de KB, aan een betere ordening en uitbreiding van deze gegevens. De verschillende provenances van alle incunabelen worden gecontroleerd aan de hand van documentatie en de boeken zelf. Dit betekent dat elke incunabel met de erbij horende documentatie nog eens met een nieuwe blik wordt bekeken, waardoor we niet alleen fouten opsporen en oplossen, maar zelfs weer nieuwe mysteries ontdekken. Het volgende is een voorbeeld hiervan.

Titelpagina van Boethius, De consolatione philosophie. Aanvraagnummer: KW 171 G 3
Titelpagina van Boethius, De consolatione philosophie. Aanvraagnummer: KW 171 G 3
Clusius' naam op de titelpagina
Clusius' naam op de titelpagina

Carolus Clusius

Tijdens mijn stage kwam ik een uitgave van Boethius' De Consolatione Philosophiae (signatuur KW 171 G 3) tegen. Deze uitgave, gedrukt in Deventer door Jacobus de Breda op 27 februari 1490, bleek perfect voor MEI: de eerste twee folia waren volgeschreven met de aantekeningen en handtekeningen van minstens zeven verschillende voormalige eigenaren. Tussen de handtekeningen en citaten uit Polybius, Horatius en een aanwijsbaar fragment uit Ovidius' Ars Amatoria (Ars. Am. 178) vond ik in zwierige letters '[...]us Carolus Clusius' (zie afbeeldingen hieronder).

Deze naam stond niet vermeld in de catalogus van de KB. Nadat de eerste vreugde een beetje was weggeëbd, was er weer ruimte voor rationaliteit: is dit werkelijk de handtekening van Clusius? Zo ja, wat zou dit betekenen? Zo nee, waarom staat zijn naam er? De handtekening moest van nà 1596 zijn, want hij is geschreven over een oudere handtekening heen, die 5 augustus 1596 is gedateerd.
Ten eerste was het nodig om te bepalen of Clusius ooit een uitgave van De Consolatione Philosophiae in bezit heeft gehad. In de appendix van de veilingcatalogus van Clusius' boekencollectie in 1609 zoals gereproduceerd in Sylvia van Zanens proefschrift "Een uitzonderlijke verscheidenheid" (2016), vinden we op p. 557 inderdaad een Boetius de Philosophico consolatu. Echter, volgens de lijst zou dat boek een folio-formaat zijn, terwijl de incunabel van de KB een kwarto is. De titel die in de veilingcatalogus staat, correspondeert met een uitgave door Johannes Grüninger uit 1501, die wél in folio-formaat is. Bovendien worden in de veilinglijst van Clusius’ collectie voor zover bekend geen incunabelen genoemd. Het is dus aannemelijk dat de incunabel uit 1490 niet het boek is dat in de appendix van de veilingcatalogus staat. Dit ondersteunt Van Zanens aanname dat de boeken uit de appendix niet afkomstig waren uit Clusius' eigen collectie.

Handtekening van Clusius in de brief uit 1587
Handtekening van Clusius in de brief uit 1587
Handtekening van Clusius in de brief uit 1601
Handtekening van Clusius in de brief uit 1601

Handtekening

Is deze handtekening dan wel echt van Clusius? Om dat te bepalen moest ik de handtekening vergelijken met Clusius’ handschrift. Hiervoor maakte ik gebruik van de indrukwekkende website Clusius Correspondence: A Digital Edition-In-Progress, waarin zijn gehele bewaarde correspondentie gedigitaliseerd is. Een eerste probleem van Clusius' handschrift dook op: zijn dagelijkse schrijfstijl was niet bepaald elegant, eerder gejaagd, terwijl de handtekening in het KB-boek juist elegant en duidelijk met enige rust geschreven moet zijn. Een tweede probleem was dat Clusius bepaalde letters in eenzelfde brief op verschillende manieren kon schrijven, zoals de letters 's' en 't'. Wanneer we een handtekening uit een brief uit 1587 (CLU_C235) erbij halen, dan zien we naast verschillen zoals de afwezigheid van een krul in de c's en de letters 's' ook overeenkomsten zoals de 'l' en de 'u'. (zie afbeelding).

In een brief uit 1601 (CLU_C343) - in tijd dichter bij de datering van na 1596 dan de brief uit 1587 - vinden we een andere handtekening die veel meer overeenkomsten toont: de 'u' komt overeen, wat ook geldt voor de 'l' en de 'a'. Verder had Clusius de gewoonte om de 'r' als een soort v te schrijven. Dit is duidelijk te zien in de handtekening van 1601, maar in het KB-boek gaat de tweede helft op in de 'o'. Verder komt ook de 's' overeen, hoewel die in de handtekening uit 1601 geen krullen heeft (zie afbeelding).

Het verschil in versiering en elegantie tussen de handtekeningen kan verklaard worden door het feit dat een handtekening in een brief naar een vriend een minder sociaal bewuste en permanente betekenis droeg dan een inscriptie in een boek. Ook nu nog doen mensen meer moeite wanneer ze hun naam ‘vereeuwigen’ in een boek dan in een persoonlijke brief die normaal gezien geen ander publiek heeft dan de (reeds bekende) geadresseerde. Naar mijn idee is de handtekening in de incunabel dan ook authentiek.

Dan blijft de vraag hoe de incunabel zich verhoudt tot Clusius. Van Zanen geeft de mogelijkheid dat Clusius veel verschillende werken van vrienden en collega's ontving en ook weer doorgaf binnen zijn netwerk (p. 319). Het is dus goed mogelijk dat Clusius dit boek nà 1596 een tijd lang in bezit had, maar vervolgens aan iemand anders gaf waardoor het nooit in de veilingcatalogus van 1609 terechtkwam.

Dit is een goed voorbeeld van de vragen die de editors van MEI tegenkomen. Het interpreteren van de fysieke sporen van voormalige eigenaren in incunabelen blijft tot op zekere hoogte giswerk. Het reconstrueren van de geschiedenis van een boek in MEI plaatst dit soort vragen centraal, met regelmatig verrassende, nieuwe resultaten.

Reacties

Dit is wel een heel interessante vondst in de KB-collectie: een incunabel met in handschrift de naam van Carolus Clusius erin.

Zoals terecht wordt opgemerkt in de blog, zijn er geen incunabelen te vinden in de veilingcatalogus waarin het boekenbezit van Carolus Clusius na zijn overlijden in 1609 werd opgetekend, dus ook deze niet. Daarmee zou deze vondst dus des te interessanter zijn: een provenance die duidt op het persoonlijk boekenbezit van de beroemde botanicus en dan ook nog eens in een incunabel.

Natuurlijk staan niet alle boeken die ooit in het bezit van Clusius zijn geweest in de veilingcatalogus. In de loop van zijn lange leven is hij ongetwijfeld boeken kwijtgeraakt en hij heeft er ook heel wat weggegeven. In mijn proefschrift besteed ik uitgebreid aandacht aan verschillende boeken die aantoonbaar in het bezit van Clusius geweest zijn, maar die desondanks niet voorkomen in de veilingcatalogus.

Zou deze Boethius ook een van die ontbrekende boeken kunnen zijn? Het is een aanlokkelijke gedachte.

Er zijn echter verschillende argumenten die daartegen pleiten. In de eerste plaats het handschrift. Vanuit mijn onderzoekservaring met het werk van Clusius meen ik te mogen concluderen dat de hand waarin zijn naam in deze incunabel is geschreven, niet de hand van Clusius is. Daarvoor wijkt het handschrift teveel af van wat ik van hem ken. Natuurlijk beheerste Clusius zoals iedere andere humanist uit zijn tijd verschillende schriftsoorten: zo verschilde zijn hand in zijn Franstalige brieven van de hand die hij gebruikte in zijn Latijnse brieven, die weer verschilde van zijn privé-aantekeningen. Dat wordt ook mooi geïllustreerd door de in de blog gebruikte afbeeldingen van twee van Clusius’ briefondertekeningen. Maar geen van deze schriftsoorten lijkt in voldoende mate op de in het KB-exemplaar geschreven naam.

Vergelijking met overgeleverde exemplaren uit het boekenbezit van Clusius laat bovendien zien dat hij altijd een zelfde schriftsoort gebruikte voor het aanbrengen van zijn eigensdomskenmerk: de veel kleinere en minder ‘cursieve’ hand die hij gebruikte in zijn Latijnse aantekeningen en brieven. Daar komt nog bij dat Clusius zijn boeken in het Latijn altijd signeerde in de tweede naamval (genitivus) als ‘Caroli Clusij A[trebatis]’ (‘van Carolus Clusius van Arras’) of zijn naam vooraf liet gaan door (een variant van) ‘van’. Zijn Italiaanse boeken tekende hij bijvoorbeeld met ‘Di Carlo Clusio’.

Dan is er nog de datering. In de blog wordt een terminus post quem gegeven voor wat betreft het aanbrengen van de naam Carolus Clusius: de aantekeningen die overschreven zijn met de naam ‘Carolus Clusius’ zouden in een onderschrift gedateerd zijn als geschreven op 9 augustus 1596. Clusius zou volgens de blog zijn naam dus aangebracht moeten hebben ná 1596. Met een dergelijke late aanschafdatum zou het boek - Clusius was 70 in 1596 - een heel vreemde eend in de bijt zijn geweest in vergelijking met de boeken die hij aantoonbaar op die vergevorderde leeftijd aanschafte.
Maar wie goed kijkt naar deze datering van 9 augustus 1596, ziet dat deze door een andere hand en met een andere pen en inkt is geschreven dan de aantekeningen die overschreven zijn met de naam ‘Carolus Clusius’. Oftewel, als de datering en de overschreven naam niet op hetzelfde moment en door de zelfde persoon zijn geschreven, is de aangegeven terminus post quem niet als zodanig houdbaar. De naam Clusius kan dan dus net zo goed ruim voor 1596 geschreven zijn. Maar dit terzijde.

In mijn ogen is de naam dus niet door Clusius zelf geschreven. Maar het fascinerende feit blijft dat zijn naam doelbewust in deze incunabel is aangebracht. Waarom???
Zou het misschien zo kunnen zijn dat het boek wel degelijk ooit van Clusius is geweest en dat hij het boek op enig moment cadeau heeft gedaan aan iemand? Dan kan de verheugde ontvanger het boek als herinnering aan de gift gemarkeerd hebben met de naam van de schenker. Gezien het feit dat Boethius gelezen werd op de Latijnse school en mede gelet op het wat onvaste handschrift waarin de naam Clusius geschreven is, zou die ontvanger misschien wel een kind geweest kunnen zijn. Een van zijn neefjes misschien, of een zoon van een van zijn beschermheren?
Een dergelijke gift past zeker in het patroon van wat we weten van Clusius. Zo is er in de bibliotheek van een klooster met bijbehorende kloosterschool die onder bescherming stond van zijn Hongaarse beschermheer Balthasar de Batthyány en zijn nazaten een aantal boeken te vinden afkomstig van het persoonlijke boekenbezit van Clusius. De door hem persoonlijk gesigneerde boeken betreffen onder andere Latijnse grammatica’s en werken van klassieke auteurs…

En wat als we - heel gewaagd, en in weerwil met al het voorafgaande - de aantrekkelijke gedachte toch niet willen loslaten dat het Clusius zelf was die zijn naam in het boek schreef? Zou het dan - mede omdat het juist om een boek gaat dat in het onderwijs gebruikt werd - misschien een boek geweest kunnen zijn van een nog heel jonge Clusius? Een schoolboek dus, met een eigendomsmerk in een nog kinderlijke hand?

Als kanttekening op die aanname kan gelden dat de naam Carolus Clusius voorafgegaan wordt door enkele andere letters in de zelfde hand. In de blog worden deze geïnterpreteerd als […us]. Maar kan het zijn dat hier niet [us] staat, maar [illss]? “Ills.” is een destijds heel gebruikelijke afkorting voor het woord “Illustrissimus [dominus]” (= de zeer verhevene heer). Dat is niet iets wat je in de regel voor je eigen naam zet, maar gebruikt in de aanhef van een brief of bij het anderszins eervol noemen van iemands naam.

Alles bij elkaar opgeteld denk ik dat de conclusie - helaas - niet anders kan zijn dat deze naam niet geschreven is door Clusius zelf.

Hoe dan ook blijft het een leuke en intrigerende vondst die in de blog van deze stagiair in een spannende speurtocht nader is geanalyseerd. En die op treffende wijze het belang van projecten als MEI onderstreept.

Met vriendelijke groet,

Sylvia van Zanen

Reageer op deze blog

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.
Bij het indienen van dit fomulier gaat u akkoord met het privacybeleid van Mollom.