Het Haags liederenhandschrift: een boek voor de liefhebber

8 februari 2021 Ed van der Vlist Middeleeuwen

Over Liefde & Vriendschap in de middeleeuwen heeft de KB heel wat literaire schatten in huis. De liefde in adellijke kringen van die tijd is het thema van het Haags liederenhandschrift – nu als digitaal topstuk op de KB-website mét transcriptie. Dit boek staat vol met teksten over de ‘hoofse minne’ in al haar facetten.

Hoofse minne

Hoofse liefdeslyriek hoort bij hoffelijk leven. Het is een uitingsvorm van een adellijk streven naar ideale omgangsvormen tussen man en vrouw, een wensbeeld van beschaafd gedrag en beleefdheid. De minnepoëzie verwoordt de normen en waarden van de heersende klasse op het terrein van de liefdesbeleving.
Binnen de hoofse cultuur staat de vrouw op een voetstuk. Zij moet worden bewonderd, gediend en geëerd, en als het even kan veroverd, in een ernstig spel dat ‘hofmakerij’ heet. Succes daarbij is allerminst gegarandeerd, maar dat hoeft ook niet. Het gaat immers om het streven. Voor een echte ridder horen kwelling en queeste belangrijker te zijn dan welzijn en welslagen – en dat keurslijf biedt dan weer de mogelijkheid om daar juist over te klagen. Zo is het te verklaren dat in het Haagse liederenhandschrift trouw, eer, moed en bewondering aan bod komen in wisselwerking met ontrouw, schande, lafheid en vrouwenhaat.

Hoezo Haags?

Aan het verzamelhandschrift dat we het Haags liederenhandschrift noemen is weinig Haags, en er staan ook maar weinig ‘echte’ liederen in. De enige relatie met Den Haag is feitelijk de huidige bewaarplaats; en het is zeker nooit de bedoeling geweest om uit het boek te zingen. Het bevat vooral liefdesgedichten, bedoeld voor mondelinge voordracht, in een mengelmoes van Middelnederlandse dialecten met veel Duitse taalvormen.
Het boek is wel in verband gebracht met het Hollandse hof onder hertog Albrecht van Beieren, maar een ontstaan meer naar het oosten is waarschijnlijker. Het verzamelhandschrift zou perfect passen bij Engelbrecht van Nassau en Johanna van Polanen, die in 1403 met elkaar trouwden. Hun zoon Jan van Nassau en diens echtgenote Maria van Loon bezaten het boek later in de vijftiende eeuw, zo blijkt uit een aantekening achterin (fol. 67v).

Dit boech huert zo joncker Johan greve zo Nossou zo Vijanden und Marien van Loen sijnre huijsvrauwen

Vanaf dit echtpaar zijn de lotgevallen van het liederenhandschrift bekend. Het berust al in de KB sinds haar oprichting in 1798.

Ware schoonheid zit van binnen

   *Onghenate*   

O wee, das ich so wael weys
Der liever zin und haer beheys,
Des volgen ich der liever dan,
Ich arme zender trourich man.
Haddich mich selven und haer,
Si har selven ende mi int war,
So wert herde wel gepast!
Mer des in es gheen effen last.
En hebbe mi selven, noch si mi,
Ich heb har und zi is vry.
Hope und troest na min behagen,
Dat loept achter lande jagen
Wildir vele dan enich wilt.
Ich blive leyder ongestilt.
Doe ich har clagede minen noet,
Vragede zi mi: ‘Is Brugge groet?’

   *Ongevoeligheid*   

O wee, was ik maar zo zeker van haar
Lieve bedoelingen en mooie beloftes,
Ik zou haar met liefde ter wille zijn,
Ik arme smachtende treurige man.
Ware ik vrij en zou ik haar hebben,
Ware zij vrij en was ik haar bezit,
Waarlijk, dan sloot het mooi aaneen!
Maar er bestaat geen zuiver evenwicht.
Ik ben niet vrij, zij bezit mij niet,
Ik heb haar wel, maar zij blijft vrij.
De hoop en bemoediging die ik verlang,
Vind ik niet; zij jagen als razende
Roofdieren diep landinwaarts:
Ik blijf jammergenoeg onbevredigd.
Toen ik haar mijn nood klaagde,
Vroeg zij mij: ‘Is Brugge groot.’

Voor de liefhebbers

De stem van de vrouw is in het Haagse liederenhandschrift vaker te horen. In dialogen tussen man en vrouw over de liefde treedt de vrouw op als volwaardige gesprekspartner. Soms neemt zij daarin de leiding. En ook vrouwen hebben in het boek af en toe te klagen over de liefde. Maar de mannelijke stem voert toch de boventoon.
De gewijzigde historische context maakt het begripvol lezen van middeleeuwse teksten lastig, zoals ook de verouderde taal en het vreemde schrift dat voor de moderne mens moeilijker maken. Het Haagse liederenhandschrift is geen boek om in één ruk uit te lezen, of om helemaal aan de juiste persoon voor te lezen. Het is een boek voor de middeleeuwse minnaar en voor de moderne liefhebber; en dat zijn we tenslotte toch allemaal?